Op zondag 7 juni overleed Sem van Gelder. Jarenlang was hij het gezicht van Swingmaster, de Groningse platenzaak die uitgroeide tot een begrip voor jazz- en bluesliefhebbers uit binnen- en buitenland.
Met zijn overlijden verliest de Nederlandse jazzwereld een kenner, verzamelaar, organisator en verbinder die gedurende bijna een halve eeuw een centrale rol speelde in het noordelijke muziekleven.
Zijn vriend Eddy Determeyer haalt mooie herinneringen op aan Sem in een persoonlijk in memoriam. Lees het hier.
'De op 25 mei 2026 overleden saxofonist Walter Theodore 'Sonny' Rollins was een bedachtzame prater. In tegenstelling, misschien, tot zijn manier van improviseren, die vaak een stream-of-consciousness karakter had. Dat was zijn ideaal, zei hij, dat de muziek automatisch uit hem zou vloeien. Maar in de praktijk moest hij gewoon over elke noot nadenken.'
Met een interview dat hij in 1980 voerde met deze jazzlegende, blikt Eddy Determeyer terug op diens rijke en lange carrière.
In memoriam
Michel Portal
27 november 1937 - 12 februari 2026
De Franse klarinettist Michel Portal was muzikaal gezien een alleskunner. Hij speelde net zo overtuigend Mozart als free jazz en componeerde veel filmmuziek. Op 12 februari overleed Portal op 90-jarige leeftijd in Parijs.
Portal, geboren in 1935 in Bayonne, Frankrijk, begon op 8-jarige leeftijd klarinet te spelen. Hij zal worden herinnerd als een pionier van de moderne Europese jazz, al was hij tevens een belangrijke figuur in de ontwikkeling van de moderne klassieke muziek.
Naast klarinet speelde Portal ook saxofoon, bandoneon en taragot. Als basklarinettist zorgde hij voor belangrijke stilistische en technische impulsen. In een interview uit 1978 zei hij: "Ik ben een kameleon met instrumenten en ook een kameleon in mezelf."
Nadat hij in 1959 de eerste prijs voor klarinet had gewonnen aan het Conservatorium van Parijs, leidde zijn reputatie als solist ertoe dat hij ging samenwerken met componisten van hedendaagse muziek als Pierre Boulez, Luciano Berio en Karlheinz Stockhausen.
Daarnaast werkte Portal, samen met pianist François Tusques, trompettist Bernard Vitet, drummer Charles Saudrais en tenorsaxofonist Barney Wilen, aan een verdere verdieping en verbreding van het werk van de toonaangevende Amerikaanse vertegenwoordigers van de avant-gardejazz, als onderdeel van de opkomende Franse freejazz-beweging.
Zijn album 'Free Jazz' uit 1965 wordt beschouwd als een mijlpaal in de Europese pogingen om de grenzen te verleggen van een genre dat grotendeels in de VS geworteld was. In 1969 was hij medeoprichter van de improvisatiegroep New Phonic Art en een jaar later richtte hij zijn eigen Michel Portal Unit op, een internationaal gerenommeerde experimentele freejazzgroep. Hij werkte samen met geestverwanten als Don Cherry, Anthony Braxton, Joachim Kuhn en John Surman. Zijn soloalbum 'Dejarmé' uit 1979 is een meesterwerk van overdubbing, waarop Portal al zijn gebruikelijke instrumenten bespeelt, plus percussie en zang.
Zijn glorieuze, lyrische klarinetklank is goed te horen op het titelnummer van Aldo Romano's 'Il Piacere' uit 1979, een duet met gitarist Claude Barthélémy.
Hij was ook actief als klassiek klarinettist. Zo heeft hij vele klassieke albums uitgebracht met onder andere het Cherubini-Quartett, pianist Michel Dalberto, Paul Meyer en Georges Pludermacher.
Naast zijn carrière als uitvoerend muzikant schreef Portal muziek voor meer dan 50 films, waaronder het bekroonde historische drama 'Le Retour de Matin Guerre' (1982), 'Balles Perdues' (1983) en 'Les cavaliers de l'orage' (1984). Hij won drie Franse César-prijzen voor zijn filmmuziek.
In Nederland verscheen hij regelmatig op het North Sea Jazz Festival. In 2020 vierde hij daar nog zijn 85ste verjaardag. Portals laatste album 'MP85', uitgebracht in 2021, won de prijs voor jazzalbum van het jaar bij de Franse Victoires-muziekprijzen.
Tekst: Maarten van de Ven | Foto's: Cees van de Ven
In memoriam | Jazztube
Fred van Duijnhoven
10 april 1948 - 3 februari 2026
Fred van Duijnhoven was een drummer in hart en nieren, met een onorthodoxe stijl die wortelde in de freejazzperiode van de jaren zeventig. Met het trio Wave van Jos Engelhard won hij in 1974 een (gedeelde) eerste prijs op het Loosdrecht Jazzconcours. Uit die periode dateert ook zijn vriendschap met Terts Brinkhof, later directeur van De Parade, waar Fred ooit soloconcerten gaf, gezeten in een levensgroot vogelnest.
Fred maakte deel uit van grotere ensembles van Jos Engelhard en speelde vanaf het eind van de jaren zeventig in talloze improvisatiegroepen met Nederlandse musici. Van grote betekenis was zijn langdurige betrokkenheid bij de vele projecten van I Compani, waarin hij ruim twintig jaar actief was. In de beginperiode van pianist Michiel Braam speelde hij in Bentje Braam en later in Bik Bent Braam.
Vrijwel vanzelfsprekend was ook zijn deelname aan de diverse slagwerkensembles van zijn broer Martin. Met het Prisma Orkest van bassist Ed de Vos speelde hij jarenlang; iets later maakte hij deel uit van verschillende groepen van Ig Henneman.
Tussen 1988 en 2010 bestond Bo's Art Trio, met Van de Graaf en Braam. Met dit trio werden succesvolle producties uitgevoerd, waaronder 'Niet met de Deuren Slaan', improvisatiemuziek gebaseerd op liedjes uit de televisieserie Ja Zuster, Nee Zuster. Van 2001 tot 2010 was dichter en performer Simon Vinkenoog regelmatig te gast bij het trio, dat ook optrad met musici als Saartje van Camp, Arjen Gorter, Theo Loevendie en Han Bennink.
Naast musicus was Fred een bevlogen vogelaar. Hij bestudeerde niet alleen vogelzang, maar vooral ook de bewegingen van vogels, een fascinatie die duidelijk doorklonk in zijn spel.
Naast zijn muzikale loopbaan was Fred van 1983 tot 2015 docent tekenen en handvaardigheid aan het Canisius College in Nijmegen.
Op 10 april (zijn verjaardag) zal er een herdenkingsconcert georganiseerd worden in Brebl Nijmegen.
Tekst: Bo van de Graaf | Foto: Cees van de Ven
In de Jazztube hieronder kun je kijken naar een portret van Fred van Duijnhoven door Bas Andriessen, in uitzending van De Muzen van 26 augustus 2018.
Geheel onverwacht overleed op maandag 5 januari 2026 jazzbassist Wiro Mahieu.
Mahieu werd op 24 december 1964 geboren in Nijmegen. Op zijn dertiende begon hij bas te spelen, eerst basgitaar, later ook de contrabas. Hij kreeg les aan het Huis voor de Kunsten De Lindenberg in Nijmegen, daarna studeerde hij aan het ArtEZ-conservatorium in Arnhem.
"De band Queen was toen een van mijn eerste favoriete bands, maar toen ik 18 werd en ook contrabas ging spelen interesseerde ik mij langzamerhand steeds meer voor jazz. Ik ben het meest beïnvloed door het Bill Evans Trio met bassisten als Eddie Gomez en Scott Lafaro. Soulbands als bijvoorbeeld The Whispers, Pleasure en Cameo en musici als George Duke en Herbie Hancock zijn ook een grote inspiratiebron voor mij."
Tussen 1989 en 1992 toerde Mahieu uitgebreid door Europa met de groep van Indonesische jazzviolist Luluk Purwanto. Hij maakte deel uit van het Waterland Sextet van pianist-componist Loek Dikker en de groep Vandoorn van zangeres Ineke van Doorn en gitarist Marc van Vugt. Hij speelde met tal van prominente Nederlandse jazzmuzikanten, waaronder Rob van den Broeck, Eric Vloeimans, Jeroen Pek, Masha Bijlsma, Denise Jannah, Pierre Courbois en Bo van de Graaf, met wie hij op kerstavond nog optrad in Brebl Nijmegen. In 2004 volgde hij Eric van der Westen op als bassist in het Paul van Kemenade Quintet. Ook speelde hij met Van Kemenade in diens Three Horns And A Bass. Zijn basspel is te horen op tientallen albums. Met zijn eigen Low Motion Trio speelde op het North Sea Jazz Festival. Ook toerde hij met de befaamde Amerikaanse saxofonist Charlie Mariano.
Mahieu manifesteerde zich ook als een enthousiaste en belangrijke inspirator voor de jazzscene in en rond zijn geboortestad. Zo was hij een van de organisatoren van het Nijmeegse jazzfestival 'East of Eastern', waarbij hij zelf ook vaak aantrad met diverse formaties. In de Nijmeegse binnenstad gaf hij leiding aan ontelbare jazz-jamsessies, voor cafés als Odessa en Wunderkammer en podia als Brebl en de Lindenberg. Tussen 2008 en 2015 doceerde hij op het Artez Conservatorium te Arnhem, waar hij Henk Haverhoek - bij wie Wiro in 1990 afstudeerde met een 9 - opvolgde als hoofdvakdocent contrabas Jazz & Pop.
Zijn gedreven en gepassioneerde basspel zal worden gemist.
Cees van de Ven maakte een eerbetoon aan Wiro Mahieu, dat je hieronder kunt bekijken én beluisteren.
Tekst: Maarten van de Ven | Video & foto's: Cees van de Ven
Vandaag, 25 januari, is het 96 jaar geleden dat saxofonist Benny Golson werd geboren. Een jazzicoon wiens carrière meerdere decennia omspande, waarin hij de moderne jazz enkele van zijn grootste hits gaf, zoals 'Blues March', 'Along Came Betty', 'I Remember Clifford' en 'Killer Joe'. Alle reden voor saxofonist Ben van den Dungen om eens uitgebreid stil te staan bij Golson, die op 21 september vorig jaar overleed.
Van den Dungen gaat onder andere in op Golsons speelstijl en muzikaal karakter, en belicht zijn uitstap naar Hollywood als arrangeur en componist. Bovendien kom je te weten waarom Dinah Washington hem Reverend (eerwaarde) noemde.
Hij pikte nog net het staartje mee van de Swing Era, als benjamin van het orkest van pianist en componist Luis Russell. Tien jaar later, op zijn 28ste, kon hij bogen op werk met onder anderen Lester Young, Charlie Parker en Sarah Vaughan. En vast werk hè, niet zomaar een losse schnabbel. Op 12 november overleed drummer Roy Haynes na een kort ziekbed in Nassau, Long Island, New York. Hij werd 98.
Roy Owen Haynes werd in Roxbury, Boston geboren als zoon van een muzikaal echtpaar dat uit de Bahama's naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. Hij was typisch zo'n gastje boordevol ritme. Op school vermaakte hij zijn kameraadjes met zijn roffels, met zijn handen getrommeld op de lessenaar. Daar kon geen leraar tegenop. Al jong werkte hij, geïnspireerd door Jo Jones van de Basie band, bij uiteenlopende groepen in Boston, waaronder die van trompettist Frankie Newton, altist Pete Brown en pianist Sabby Lewis. Beroeps werd hij toen hij op zijn negentiende gevraagd werd voor de bigband van Russell. Hij woonde destijds in bij de Russells in Harlem. Maar in '47 nam hij ontslag omdat het constante touren hem te zwaar werd - terwijl hij het jongste (en best betaalde) lid van de band was. Datzelfde jaar nam tenorist Lester Young hem in zijn combo op. Daar viel hij op met zijn ingehouden, smaakvolle doch rotsvaste beat, op brushes, geaccidenteerd door bescheiden 'bommen' op de bassdrum. Die stijl bouwde hij verder uit tijdens zijn verbintenis met Charlie Parker. Vergeleken met zijn voorganger Max Roach, die hem bij Parker had aanbevolen, speelde Haynes minder explosief. Hij verkoos waar wenselijk de vegertjes, maar kon net zo goed extrovert uit de hoek komen wanneer dat zo uitkwam.
Bij het rijtje van prominente muzikanten met wie Haynes gewerkt heeft kan bijna die van pianist, componist en bandleider Duke Ellington gevoegd worden. Eind 1952 nam diens drummer Louie Bellson ontslag, daar hij een eigen orkest wilde beginnen. Roy Haynes werd gevraagd hem op te volgen, doch wees het eervolle verzoek beleefd doch resoluut af. Een job bij Ellington zou een betere honorering en meer status en vastigheid geven, maar hij bleef trouw aan Charlie Parker. En hoewel het werk met Parker onzeker was - je wist nooit zeker of die 's avonds op kwam dagen - daar had hij alle mogelijkheden om creatief bezig te zijn. En hij vroeg zich af of al die oude knarren in de Ellington band zo'n jonkie met zijn progressieve ideeën wel zouden zien zitten.
Na vijf jaar vegen bij Sarah Vaughan kreeg Haynes de kans om bij pianist en componist Thelonious Monk te gaan werken. Daar vervolmaakte de drummer zijn stijl. De brushes bleven, maar de stokken kwamen vaker uit hun foedralen. Het metrum werd vrijer, zijn aanpak speelser. Zijn solo's hadden soms een asymmetrische structuur en getuigden van ongebreidelde fantasie en creativiteit. Bovenal bleef het gebodene smaakvol, zijn roffels elementair en gevarieerd. Dat was een goede voorbereiding voor zijn werk met saxofonist John Coltrane, tussen 1961 en '65. Daar verving hij van tijd tot tijd Tranes vaste slagwerker Elvin Jones, voor wie Haynes zijn grote voorbeeld was. Inmiddels was de drummer eigen groepen begonnen, wat culmineerde in zijn Hip Ensemble, waarmee hij een soort avontuurlijke rockjazz presenteerde. Tegelijkertijd bleef hij de bebop trouw.
Covid maakte een eind aan een glansrijke carrière. Dat hij toen nog steeds aan de top stond blijkt uit een opname uit de New Yorkse Blue Note uit 2019, die op YouTube te vinden is. 93 was hij daar, maar een Fountain of Youth, zoals het album heet dat hij in 2002 opnam. Met sticks en mallets - geen vegertje te bekennen. Ook te vinden op YouTube: de geïmproviseerde tap battle die hij in 2012 met collega Jack DeJohnette uitvoerde. Óók een bewonderaar. Hij kreeg bij die gelegenheid een Grammy voor zijn hele oeuvre. Tja, er kan maar één de beste zijn.
Een verkeersongeval maakte op donderdag 26 september een einde aan het leven van muzikant en componist Willem van Manen. Hij was een veelzijdige figuur in de jazzwereld: trombonist, orkestleider, recensent, bestuurder en oprichter van het Bimhuis. Hij stond aan de wieg van de Nederlandse geïmproviseerde muziek. Als voorvechter voor meer ruimte voor jazz speelde hij een belangrijke rol in de Nederlandse muziekwereld. Zijn muzikale talent, compositorische kwaliteiten en bestuurlijke vaardigheden maakten hem tot een onmisbare schakel daarin.
Van Manen groeide op in een muzikaal gezin in Amsterdam-Zuid, waar hij op jonge leeftijd kennismaakte met jazzmuziek via de platen van zijn vader. Hij begon op zevenjarige leeftijd met pianolessen, maar op zijn vijftiende schakelde hij over op de trombone. Tijdens zijn schooltijd speelde hij in dixielandbandjes.
Vanaf de eind jaren zestig stond hij op de barricade voor vernieuwing in het Nederlandse muzieklandschap met onder andere de rebelse groep De Notenkrakers, samen met Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw. Toen Paradiso zich volledig op popmuziek ging richten, vonden Van Manen en Dulfer een nieuwe locatie voor jazzmuzikanten aan de Oudeschans, wat uiteindelijk het Bimhuis werd. Van Manen was tot aan de verhuizing naar de Piet Heinkade in 2005 betrokken bij het Bimhuis. Hij was medeoprichter Orkest De Volharding, waarbij hij 25 jaar zou spelen en waarmee hij ook tourde in het buitenland. In de jaren zestig maakte hij zijn professionele debuut met Heavy Soul Inc. onder leiding van Hans Dulfer, een kwartet in de geest van het Archie Shepp-Roswell Rudd Quartet. Van Manen speelde met Theo Loevendie, Boy Edgar's Big Band, de Instant Composers Pool, Leo Cuypers en het Willem Breuker Kollektief, waarvoor hij ook componeerde. Daarnaast schreef hij recensies voor de NRC.
In 1979 richtte hij de Springband op, die hem alle gelegenheid bood om zijn composities uit te voeren. In 1983 raakten vijf leden van de Springband betrokken bij een zwaar verkeersongeluk, waarbij drie muzikanten omkwamen. Van Manen, die niet in het busje zat, was zo aangeslagen dat hij een jaar lang niet kon spelen. [Wat dat betreft is het wrang dat Van Manen zelf overleed na een aanrijding.] In 1984 trad hij weer in de openbaarheid met een nieuwe formatie, de Contraband, waarmee hij een reeks albums maakte.
Van 1980 tot 1995 was hij als hoofdvakdocent trombone en muziekgeschiedenis verbonden aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam. Hij was tevens actief in de bestuurlijke kant van de jazz, onder andere als oprichter van de Beroepsvereniging van Improviserende Muzikanten (BIM) en al lid van de Amsterdamse Kunstraad, de BUMA, het Fonds voor de Scheppende Toonkunst en de Raad voor Cultuur. Zijn werk in talloze besturen en commissies kwam voort uit zijn studie sociologie, waarin hij organisatorische vaardigheden ontwikkelde die hij toepaste in de jazzwereld.
Zijn muziek bleef echter altijd voorop staan, zowel het spelen als het componeren. In zijn composities verbond hij jazz met klassieke en hedendaags gecomponeerde muziek. Van Manen stopte met spelen toen hij 75 werd, maar bleef actief in de muziekwereld als eindredacteur Jazz bij de Concertzender van 2005 tot 2019.
Willem van Manen leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de jazz in Nederland, zowel met zijn muziek als door zijn organisatorische capaciteiten. In 1997 werd hij voor zijn vele verdiensten voor het muziekleven benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij is 84 jaar oud geworden.
Foto's: Cees van de Ven
Klik hier voor een interview dat Draai om je oren had met Willem van Manen in oktober 2006.
"Alles begint met stilte en alles eindigt met stilte," zegt Marc Van den Hoof tijdens een van zijn laatste programma's voor Klara aan de vooravond van zijn pensioen, nu 13 jaar geleden, om 'Silence' van Charlie Haden af te kondigen.
En nu is het echt stil geworden, want dé stem van de jazz in Vlaanderen is niet meer. Zijn plaat is afgelopen, we moeten hem definitief afkondigen, hoe graag we ook gehad zouden hebben dat zijn liedje nog veel langer had mogen duren. Vanmiddag [4 september] maakte zijn familie bekend dat Marc is overleden. Hij was al een tijdje ziek en is 78 geworden.
Wel een mooie leeftijd: 78, zoals in 78-toerenplaat. Zo symbolisch, want daar is het allemaal mee begonnen, de liefde voor de jazz, de betovering van muziek op een dikke platte zwarte schijf. Toch?
Maar nee, dat is gefantaseer. Nee, in zijn bundel 'Double Bill' (Uitgeverij Luster, 2011) vertelt hij het heel duidelijk: zijn initiatie in de jazz begon met de Nederlandse vertaling van 'Das Jazzbuch' van Joachim-Ernst Berendt. En met een bescheiden stapeltje plaatjes: gewoon 45- of 33-toeren, geen 78. Zo oud was hij nu ook weer niet.
In 2011 ging Marc met pensioen. Toen maakte ik deze video voor cobra.be bij wijze van afscheid. Als ik het nu weer bekijk, vind ik het ook mooi als afscheid op deze trieste dag. En wat zegt hij in de laatste minuut?
"We naderen het einde. (…) Je krijgt dan brieven en mails van mensen enzovoort. Maar dan denk ik altijd ja, veertien dagen, drie weken en alles is weer anders en je bent verdwenen in het vergeetboek. Dat is niet zo erg, dat is goed."
Maar hoe kan ik je vergeten? Tot 2011 waren we collega's bij de openbare omroep geweest. Maar voor mij was je meer dan een collega: je was een voorbeeld, een vriend, een vertrouweling en een soort vaderfiguur vol verhalen en anekdotes.
Voor mij is het bij de openbare omroep begonnen voor een groot deel dankzij Marc, toen nog bij Radio 3, waar we samenwerkten aan het jazz- en bluesprogramma 'Roots and Fruits' op zaterdagmiddag. Geregeld kwam Marc op zaterdagochtend bij mij thuis langs om muziek voor het programma te brengen, even een babbeltje te slaan, en nog een grapje met de kinderen uit te halen. Ze waren nog klein toen, maar kenden Marc (toen en nu) als 'de meneer die zo met z'n vinger in zijn mond een mooi, knallend plop-geluid kan maken'.
Vele jaren en omwegen later hebben we nog fijn samengewerkt bij cobra.be, onder andere voor de verslaggeving over Jazz Middelheim. Terwijl ik dit schrijf, hangt achter mij een tekening van Pieter Fannes (ook op Jazz Middelheim 2015 voor zijn getekende impressies op cobra.be): daar staan we samen, Marc en ik, tegenover elkaar onder de prachtige bomen in Park den Brandt, hij met een microfoon in zijn handen en ik met een camera voor mijn neus. Zo maakten we na elk concert op het festival een kort verslagje met wat live fragmenten tussendoor.
En nog veel later, heel recent nog, toen ik op Substack een blog en nieuwsbrief ben begonnen, is Marc altijd een van de eersten geweest om heel enthousiast te reageren op mijn berichten. Met een mailtje, een cd-tje, of ook een unieke versie van zijn 'De vijf sonnetten van de jongen en de radio'. Vijf sonnetten over zijn ontroering bij de ontdekking van de radio als toestel, van nonkels kristalontvanger tot de stereofone high fidelity van zijn ouders. Geschreven voor Omroep Brabant. In 1978.
78 weer. 78 is Marc geworden. Een veel te vroeg eindpunt. Ik moet er nog aan wennen dat hij er nu opeens niet meer is. Het is nog te vers. Herinneringen aan hem, aan momenten met hem, blijven komen. Meer dan ik hier wil of kan opschrijven. Misschien moet dat ook niet en is inderdaad stilte genoeg. Stilte, zoals na zijn klassieke programma-afkondiging op Klara: "Dank u voor het luisteren, misschien tot morgen en welterusten."
Welterusten, Marc.
Tekst: Jeroen Revalk, Toko Oen | Foto: Cees van de Ven | Illustratie: Pieter Fannes
Op 23 augustus overleed gitarist Russell Malone tijdens een tournee door Japan aan de gevolgen van een zware hartaanval. Hij werd 60 jaar oud.
Malone trad vorige week op in de Blue Note Tokyo als lid van het Golden Striker Trio van bassist Ron Carter. Met de band, waar ook pianist Donald Vega deel van uitmaakt, speelde hij op de eerste drie avonden van een vierdaags engagement; de club had laten weten dat hij 'wegens ziekte' niet op de vierde zou verschijnen.
Russell Lamar Malone werd geboren op 8 november 1963 geboren in Albany, Georgia en raakte al vroeg geïnteresseerd in muziek. Al op vierjarige leeftijd nam Malone de gitaar ter hand en leerde hij zichzelf meespelen met George Benson. In 1988 sloot Malone zich aan bij organist Jimmy Smith.
Door de jaren heen werkte de gitarist samen met een hele reeks jazz- en bluesartiesten, van Sonny Rollins tot B.B. King, maar hij was vooral bekend van zijn werk met Harry Connick Jr., Diana Krall en Smith. Malone toerde met Ron Carter, Roy Hargrove en Dianne Reeves en deed sessiewerk met Kenny Barron, Branford Marsalis, Wynton Marsalis, Jack McDuff, Mulgrew Miller en Eddie "Cleanhead" Vinson. Daarnaast bracht hij tussen 1992 en 2017 meer dan een dozijn soloalbums uit met zijn eigen trio en kwartet.
Foto: Cees van de Ven
In de Jazztube hieronder zie je 'Soul-Leo' door het Russell Malone Quartet, met Rick Germnason op piano, Vincent DuPont op bas en Neal Smith op drums. Opgenomen in Chris' Jazz Cafe, Philadelphia op 24 februari 2023.
In memoriam | Jazztube
Irène Schweizer
2 juni 1941 - 16 juli 2024
Een mannenshirt en een pakje sigaretten - dat was de prijs voor de 16-jarige winnaar van een amateurjazzfestival in Zürich in 1957. Dat een vrouw het concours kon winnen was voor de organisatoren destijds simpelweg ondenkbaar. Toen Irène Schweizer de jazzpodia van de wereld betrad, waren de tijden nog steeds anders - vooral voor vrouwen.
Irène Schweizer werd geboren op 2 juni 1941 in Schaffhausen, Zwitserland. Ze groeide op in het gezin van een café-eigenaar in haar geboortestad en na haar eerste pogingen op de accordeon ontdekte ze de piano en de drums en sloot zich op 16-jarige leeftijd aan bij de Crazy Stokers, een dixielandband. Dat alleen al was in 1957 een sensatie. Kort daarna belandde ze in de toprangen van het eerder genoemde Zurich Amateur Jazz Festival, waar ze souljazz en hardbop speelde. Je kunt je voorstellen hoe de monden van veel mannen in het publiek openvielen toen ze haar hoorden spelen.
Even later ging Schweizer naar een talenschool in Groot-Brittannië, waar ze zich verdiepte in de Londense jazzscene (voornamelijk de club van Ronnie Scott), voordat ze terugkeerde naar Zürich. In de jazzclub Africana ontmoette ze drummer Mani Neumeier en bassist Uli Trepte, die ook haar eerste trio vormden. Toen de twee mannen zich in 1968 bekeerden tot rockmuziek, begon Schweizers langdurige samenwerking met drummer Pierre Favre. Hun muziek klonk steeds wilder en vrijer, wat de pianist een uitnodiging opleverde voor de Total Music Meeting in Berlijn - het jaarlijkse bedevaartsoord voor freejazzfans, georganiseerd door de FMP-mensen rond Jost Gebers. Als vrouw stond ze er echter alleen voor en moest ze zich verdedigen tegen de mannelijke alfahonden, wat resulteerde in haar speelse, gevoelige stijl. Niettemin wist ze te zegevieren, een ongelooflijke persoonlijke en muzikale prestatie die achteraf gezien niet genoeg kan worden benadrukt.
Sinds die tijd was Schweizer een vaste gast op de avant-garde podia in Berlijn, Willisau, Chicago en New York, ze speelde met Don Cherry, Louis Moholo, Hamid Drake, Andrew Cyrille en George Lewis. Haar solo-optredens schraagden haar status als toonaangevende pianist van de Europese jazz. In de laatste jaren van haar carrière werd ze eindelijk waardig geacht om in de tempels van de hoge cultuur te spelen, een late triomf.
Schweizer heeft, in tegenstelling tot andere jazzmuzikanten, niet voor veel verschillende labels opgenomen; vrijwel haar gehele oeuvre is beschikbaar op FMP en Intakt. Haar debuut 'Santana' met Pierre Favre op drums en Peter Kowald op bas werd echter in 1969 uitgebracht op Pip, voordat Jost Gebers het in 1979 opnieuw uitbracht op FMP. Meer klassiekers zijn haar twee FMP-opnames met Rüdiger Carl (sax, klarinetten) en Louis Moholo ( drums), 'Messer' (1976) en 'Tuned Boots' (1978), en haar soloplaten 'Wilde Senoritas' (FMP, 1977) en 'Hexensabbat' (FMP, 1978). Sinds het midden van de jaren tachtig nam ze vrijwel uitsluitend op voor het Zwitserse label Intakt, en al hebben deze opnames niet meer de kracht en energie van de vroege opnames, haar duo met de Zuid-Afrikaanse jazzdrummer Louis Moholo 'Irène Schweizer & Louis Moholo' (1987) en 'Where's Africa' met Omi Ziegel (saxofoon, zang) zijn werkelijk uitstekende albums.
De laatste jaren van haar leven woonde Irène Schweizer in een bejaardentehuis, ze kon niet meer optreden. Maar iedereen die aanwezig is geweest bij haar laatste optredens, zoals in 2017 in het Neumarkt Theater in Zürich met Louis Moholo, en met eigen ogen heeft gezien hoeveel plezier ze uitstraalde tijdens het spelen - zelfs op hoge leeftijd - en hoe ze werd aanbeden door haar overwegend vrouwelijke fans, kan begrijpen wat een verlies haar overlijden is voor de freejazz-gemeenschap.
Tekst: Martin Schray, The Free Jazz Collective (met toestemming vertaald) Foto's: Maarten Jan Rieder
In de Jazztube hieronder zie je Irène Schweizer in een duoconcert met Pierre Favre, opgenomen tijdens het Schaffhauser Jazzfestival 2011.
In memoriam
Sjef Wiersma
8 augustus 1936 – 14 maart 2024
Onlangs overleed op 87-jarige leeftijd Sjef Wiersma. In de regio Eindhoven was hij bekend als een groot ambassadeur van de kunst. Met zijn rijdende bibliotheek 'de Open Dicht Bus' stond hij op festivals en markten en met zijn platenuitleen Kereweerom stelde hij zijn eclectische muzikale collectie open voor muziekliefhebbers. "Als je iemand een plaat meegeeft en hij komt hem een paar weken later enthousiast terugbrengen: daar doen we het voor."
Onze oud-redacteur Erno Mijland was jarenlang lid van Kereweerom. Hij schreef deze ode aan Sjef.
In 2002 had Erno een interview met Sjef over Kereweerom. Klik hier om het te lezen.
In memoriam | Jazztube
Tony Oxley
15 juni 1938 – 26 december 2023
Op een dag wilden Jost Gebers, de man achter het baanbrekende platenlabel FMP, en Tony Oxley de drumspullen van de percussionist in een Volkswagenbus van West- naar Oost-Berlijn brengen. De bewaker die hen bij de grens controleerde was verbaasd over de vreemde dingen die werden vervoerd. Geber legde hem uit dat Oxley een drummer was. Toen de grenswachter vervolgens een viool vond, was het hem duidelijk. Oxley moest wel een muzikale clown zijn! Na een lange ziekte is Tony Oxley - die verre van een clown was, eerder een fenomenale geluidsonderzoeker, percussionist, violist en componist - op dinsdag 26 december overleden.
Oxley werd geboren in Sheffield en leerde zichzelf het drummen aan. Tijdens zijn diensttijd voor het Britse leger werd hij percussionist in het militaire orkest. In die tijd reisde Oxley ook naar de Verenigde Staten, waar hij jazzgrootheden als Art Blakey, Horace Silver en Philly Joe Jones aan het werk zag. Het was een levensveranderende ervaring. Thuis in Sheffield vormde hij een jazzcombo dat hij drie jaar leidde. In 1963 volgde nog een beslissende ontmoeting: hij ontmoette gitarist Derek Bailey, die bij hem om de hoek bleek te wonen. "A once in a century coincidence," zoals Oxley die ontmoeting beschreef voor de Duitse muziekjournalist Bert Noglik. Samen met bassist Gavin Bryars vormden ze het trio Joseph Holbrooke, vernoemd naar de gelijknamige Britse componist (1878-1958). De groep begon jazzstandards te spelen, maar evolueerde snel naar andere soorten muziek, geleid door de interesses van de drie. Bryars was geïnteresseerd in avant-garde klassieke componisten, Oxley in de meer radicale muzikanten van de hedendaagse jazz en Bailey in beide. Geïmproviseerde muziek was de gemeenschappelijke noemer die het trio voortdreef. Hun muziek was destijds vrijwel ongehoord in Engeland en elders in Europa. De muziek van Joseph Holbrooke ontwikkelde zich volgens Oxley en Bailey vanzelf tijdens hun samenspel.
In 1967 verhuisde Oxley naar Londen. Het duurde niet lang voordat hij zich daar gevestigd had als huisdrummer van een van de populairste jazzclubs van de stad: Ronnie Scott's. Hoewel Oxley met zijn eigen muziek al verder was gegaan dan traditionele jazz, vond hij het ook leuk en inspirerend om op te treden met jazzlegendes als Ben Webster, Joe Henderson, Stan Getz en Bill Evans. Zo ontwikkelde hij een onderscheidende ritmische stijl, waardoor hij in staat was om vrij en polyritmisch te spelen zonder de originele groove te verliezen; hij kon die op ieder moment gewoon weer oppikken. Voor veel muzikanten was het een echte uitdaging om met Oxley te spelen.
Oxley's werk bij Ronnie Scott's had hem een solide reputatie als jazzdrummer opgeleverd, hoewel hij al verbinding had gemaakt met de vrij geïmproviseerde muziekscene. In 1969 speelde Oxley op op de eerste lp 'Extrapolation' van John McLaughlin. Zijn connectie met hem zou de reden kunnen zijn geweest waarom Oxley een platencontract kreeg aangeboden door CBS en hij 'The Baptized Traveller' kon uitbrengen, met leden van het Spontaneous Music Ensemble: Evan Parker op saxofoon, Derek Bailey op gitaar, Kenny Wheeler op trompet en Jeff Clyne op bas. Het resultaat was de weerklank van een vrij unieke visie op de toekomst van de jazz. De band van Oxley slaagde er zelfs in om nog een plaat te maken voor CBS, 'Four Compositions For Sextet', met Paul Rutherford op trombone als aanvulling. Commercieel waren de albums geen succes, geen wonder dus dat CBS het contract verbrak.
Financieel zat Oxley aan de veilige kant door zijn aanstelling bij Ronnie Scott's, maar over het algemeen deed geïmproviseerde muziek het in Groot-Brittannië bepaald niet goed. Het was voor de muzikanten nauwelijks mogelijk om optredens te vinden, media en platenlabels negeerden het eenvoudigweg. Dit was de reden waarom Oxley in 1970 samen met Bailey, Parker en verschillende andere muzikanten de Musicians Cooperative oprichtte. Samen met Parker en Bailey richtte hij het onafhankelijke platenlabel Incus Records op. Eindelijk konden de muzikanten hun muziek documenteren, hun albums uitbrengen en distribueren zonder afhankelijk te zijn van de majors.
Maar bovenal werd Oxley een invloedrijke drummer voor toekomstige generaties toen hij besloot zijn drumstel uit te breiden. Hij begon te experimenteren met verschillende vormen van versterking en elektronische apparaten, zoals bijvoorbeeld ringmodulatoren. Hij gebruikte ze vooral graag op de vreemde voorwerpen die hij in de kit had verwerkt: kommen, stukjes draad, schroeven en andere metalen voorwerpen die een breed scala aan pure geluiden konden creëren. Zijn toch al unieke ritmische stijl werd gekoppeld aan een nieuw klankuniversum. Vanaf dat moment klonk niemand meer als Tony Oxley.
Op muziekgebied waren nog twee ontmoetingen belangrijk in het leven van Toney Oxley. De eerste is die met de schilder Alan Davie, die hem zijn eerste viool gaf. Oxley was onmiddellijk geïnteresseerd in de ritmische mogelijkheden van het instrument (niet de melodische, wederom typisch Oxley) en daarom besloot hij met allerlei soorten strijkersensembles te gaan werken. De andere was Oxley's ontmoeting met Cecil Taylor. Hij ontmoette hem toen de pianist in de zomer van 1988 een FMP-residentie had in Berlijn. Hij speelde met hem als duo, met William Parker in het Feel Trio en in het 17-koppige Cecil Taylor European Orchestra. Bovendien stelde Taylor hem voor aan Bill Dixon, met wie hij ook verschillende albums opnam voor het Italiaanse Soul Note-label. Oxley werd Taylor's favoriete partner voor de rest van het leven van de pianist.
"I consider myself more a percussionist, in contrast to a jazz drummer who keeps time", vertelde Oxley aan Bert Noglik in het eerdergenoemde interview. "In the new improvised music, a percussionist can interrupt the flow of his playing without affecting the nature of his relationship to the other players." Als Petrus aan de hemelpoort Tony Oxley en zijn spullen zou moeten controleren, dan zou hij hem zeker niet voor een clown hebben aangezien, maar voor wat hij is: een van de grootste drummers van de afgelopen 60 jaar. De jazzband in de hemel kan naar hem uitkijken.
Tekst: Martin Schray, The Free Jazz Collective (met toestemming vertaald) Foto's: Maarten Jan Rieder
In de Jazztube hieronder een concert van Tony Oxley met Cecil Taylor in Straatsburg, 2009.
In memoriam
Carla Bley
11 mei 1936 - 17 oktober 2023
Carla Bley, de grande dame du jazz, de vrouw met het kenmerkende kapsel, de coole heks (zoals de Zwitserse criticus Peter Rüedi haar noemde), is dood. Sinds eind jaren vijftig op het toneel - haar compositie 'Donkey' werd geschreven in 1958 - heeft Bley voortdurend nieuw werk gecomponeerd en opgenomen. Ze won verschillende internationale prijzen, werd door de NEA uitgeroepen tot Jazz Master en ontving eredoctoraten van de Universiteit van Toulouse en het New England Conservatory of Music.
Toen Lovella May Borg (haar geboortenaam) naar New York kwam, moet ze een blikvanger zijn geweest. Als sigarettenmeisje in het beroemde Birdland betoverde ze de jonge avant-gardepianist Paul Bley, die al snel haar echtgenoot werd en haar aanmoedigde om te gaan componeren. Carla was zowel muze als gerespecteerde componist van de jonge scene, verschillende muzikanten begonnen haar materiaal op te nemen. Jimmy Giuffre gebruikte 'Ictus' voor zijn album 'Thesis' en Paul Bley's legendarische 'Barrage' (op ESP) bestond volledig uit haar composities. In een door mannen gedomineerde omgeving werd Carla Bley een rolmodel voor de opkomende feministische beweging; ze was cool, mooi, zelfverzekerd en vooral uitzonderlijk getalenteerd, iets wat ze bereikte met haar compositie 'Ida Lupino' (uit 1964), die werd uitgebracht op het 'Closer'-album van Paul Bley in 1966. In 1964 was ze ook een van de oprichters van de Jazz Composers Guild, die de orkestrale avant-gardemuziek wilde bevorderen. Een van haar medestrijders was Michael Mantler, met wie ze in 1965 trouwde nadat ze was gescheiden van Paul Bley. Samen met Mantler leidde ze het Jazz Composers' Orchestra en richtte ze het platenlabel JCOA op. Tegen die tijd was Carla Bley klaar om aan een grootschalig eigen project te werken. Het resultaat was een van de meest omvangrijke composities die de jazz ooit heeft voortgebracht: de extravagante surrealistische jazzopera 'Escalator Over The Hill'. Het lange (bijna twee uur) stilistisch eclectische werk brengt zangers en muzikanten uit alle genres samen - 53 mensen hebben bijgedragen aan de opname, waaronder enkele van de meest productieve en originele jazz- en rockmuzikanten uit die tijd. Prominente deelnemers waren Don Cherry, Roswell Rudd, Jimmy Lyons, Charlie Haden en Gato Barbieri, maar ook Jack Bruce, John McLaughlin en de piepjonge Linda Ronstadt. Het werk als geheel viert en herformuleert rock-megalomanie, freejazz-iconoclasme en klassieke nuchterheid. Het is Bley's vroege magnum opus.
Gedurende haar hele carrière heeft Bley zichzelf in de eerste plaats als componist beschouwd, en daarom heeft ze er altijd van gehouden om muziek te schrijven voor haar bigbands. Ze was een meester in het muzikale citaat, de collage, en ze wist ironie te gebruiken in haar composities, bijvoorbeeld in 'Spangled Banner Minor And Other Patriotic Songs' van 'The Carla Bley Band: European Tour 1977', waarin verschillende volksliederen door de molen worden gehaald. Hier en in veel van haar werken voor grotere ensembles mengde ze elementen uit de muziek van componisten als Hanns Eisler en Kurt Weill met hedendaagse moderne jazz.
De afgelopen decennia heeft Bley zich verzoend met kleinere formats en haar capaciteiten als pianiste, veelal in duo's en trio's met haar levensgezel-bassist Steve Swallow en saxofonist Andy Sheppard. Ze heeft zichzelf nooit als een virtuoos beschouwd. "Ik doe elke dag de eenenvijftig Brahms-oefeningen," gaf Bley toe. "Ik kan je niet echt vertellen hoe Carla is," zei Steve Swallow ooit. "Ze is zo ongrijpbaar en voortdurend veranderend. Ze is echter mijn held, en daar laat ik het bij." Het is deze ongrijpbaarheid die Carla Bley het beste beschrijft. Ze was altijd geïnteresseerd in het proces van muziek maken, in nieuwe mogelijkheden en nieuwe ontwikkelingen.
Ik zag Carla Bley op het eerste jazzconcert dat ik ooit heb bezocht - een festival in Freiburg/Duitsland in 1980, met onder meer Chet Baker, Barbara Thompson en John Abercrombie. Ik was verbijsterd door haar charisma en de pure schoonheid van de muziek. Maar ik herinner me ook hoe boos ze was omdat de Amerikanen Ronald Reagan tot president hadden gekozen. 'Ida Lupino', met zijn innerlijke stemmen en canonische echo's, is een van mijn favoriete jazzcomposities gebleven, 'Escalator Over The Hill' zal altijd in de canon van de avant-gardemuziek blijven staan. Haar dood is een verschrikkelijk verlies.
Tekst: Martin Schray, The Free Jazz Collective (met toestemming vertaald) Foto's: Cees van de Ven
Op woensdag 6 september stierf Richard Davis op 93-jarige leeftijd in Madison, Wisconsin. De bassist speelde mee op een aantal klassiek geworden albums, zoals 'Swingin’ Easy' van Sarah Vaughan, 'Out To Lunch!' van Eric Dolphy, 'Point Of Departure' van Andrew Hill en 'Karma' van Pharoah Sanders, waarop hij samen met bassist Reggie Workman verantwoordelijk was voor de bezwerende drive in 'The Creator Has A Master Plan'. Maar hij speelde ook mee op Van Morrisons baanbrekende album 'Astral Weeks'.
Davis, geboren op 15 april 1930 in Chicago, deed zijn eerste muzikale ervaring op door de baslijnen te zingen in het vocale trio van zijn gezin. Na de middelbare school studeerde hij bas bij Rudolf Fahsbender van het Chicago Symphony Orchestra. Hij ging optreden met het trio van pianist Ahmad Jamal. Hij koos voor de contrabas omdat die in jazzcombo's vaak onopvallend achterin opgesteld stond. Precies een plek waar hij zich in alles het prettigst voelde: op de achtergrond.
Naast jazz leerde Davis ook klassiek spelen in het Chicago Youth Symphony Orchestra. Hij trad op in orkesten onder leiding van Leonard Bernstein en Igor Stravinsky (die Davis zijn favoriete bassist zou hebben genoemd). In een recent eerbetoon zei pianist Ethan Iverson: "The room became much larger when Richard Davis unpacked his instrument." Pianist Jason Moran, die meerdere keren met Davis samenwerkte, roemt "the way he found the space in the bass line. Instead of 'walking' a bass line, Davis seems to 'chart' it. Like an astronomer charting the sky. In that way, he found freedom in the bass by pivoting between the earth and the stars."
In 1954 verhuisde Davis naar New York om te spelen in een band onder leiding van pianist Don Shirley. Een paar jaar later belandde hij in de begeleidingsband van Sarah Vaughan. Davis zei later vaak dat hij zijn doctoraat behaalde aan "de Universiteit van Sarah Vaughan".
Door een gedeelde passie voor klassieke muziek uit de 20e eeuw raakte Davis bevriend met altsaxofonist Eric Dolphy, die ook fluit en basklarinet speelde, en wiens opmerkelijke bereik en concept overeenkwamen met dat van Davis. Zo is hij ook te horen op de opnamen die in juli 1961 zijn gemaakt in de New Yorkse club The Five Spot, als lid van een legendarische groep met Dolphy, trompettist Booker Little, pianist Mal Waldron en drummer Ed Blackwell.
Davis bracht een groot deel van de jaren 60 door als veelgevraagd sessiebassist in New York, waar hij optrad en opnam met een scala aan grootheden. Met name zijn werk met pianisten Andrew Hill en Jaki Byard was een toonbeeld van virtuositeit. In 1966 was Davis een van de oprichters van het Thad Jones-Mel Lewis Orchestra. Met zijn spel in die band wist hij zowel bassisten als componisten te beïnvloeden.
In 1977 werd hij benoemd als professor muziek aan de universiteit van Wisconsin-Madison. Daar richtte hij ook de Richard Davis Foundation for Young Bassists op, om ervoor te zorgen dat een gestage stroom getalenteerde muzikanten in zijn voetsporen kon treden. Hij bleef er tot 2016 in functie en haalde diepe voldoening uit het lesgeven.
In memoriam | Cd
Tristan Honsinger
Tristan Honsinger - 'Small Talk'
Setola di Maiale, 2022 | Opname: 11 december 2017
Een paar dagen geleden bereikte mij, via het ICP Orchestra, het bericht dat Tristan Honsinger afgelopen zaterdag is overleden. Hij werd drieënzeventig. Bij deze dus condoleances aan eenieder die hem kende en met hem samenwerkte. Een groot verlies voor hen, maar zeker ook voor alle liefhebbers van de geïmproviseerde muziek, waarvoor hij van onschatbare waarde was. Als cellist en vocalist, als componist, maar zeker ook als gangmaker en humorist. Om hem te eren sta ik stil bij het laatste album dat hij vorig jaar uitbracht: het bij Setola di Maiale verschenen 'Small Talk'.
Honsinger werd op 23 oktober 1949 geboren in de Amerikaanse staat Vermont. Hij begon zijn studies aan het New England Conservatory en studeerde vanaf 1968 aan het conservatorium van Baltimore. De klassieke muziek bleek echter niet zijn ding en na zijn verhuizing naar Montreal, een jaar later, stapte hij over op de improvisatie. In de jaren daarna woonde hij in Amsterdam, Parijs, Italië en weer in Amsterdam, waar hij uiteindelijk toetrad tot de Instant Composers Pool. In de jaren daartussen werkte hij samen met Toshinoro Kondo, Michael Vatcher, Sean Bergin, Giancarlo Schaffini, Gianluigi Trovesi en eind jaren tachtig met Cecil Taylor. Maar hier ontleende hij toch vooral zijn roem aan zijn bijdrage aan ICP, al bleef hij zijn oude vrienden opzoeken, bijvoorbeeld in Italië, waar 'Small Talk' van getuigt. Het album bevat opnamen voor de Italiaanse radio, gemaakt op 11 december 2017. We horen hier Honsinger zowel op cello als vocaal, iets dat hij deelt met Cristina Vetrone en Vincenzo Vasi, die we daarnaast ook horen op respectievelijk de organetto en de theremin, bassist Luigi "Lullo" Mosso en drummer Cristiano De Fabritiis. Verder horen we in dit octet klarinettist Enrico Sartori, saxofonist Edoardo Maraffa en bassist Antonio Borghini.
Een prachtig album, dit 'Small Talk' en helemaal in lijn met Honsinger. Wat we ook bij het ICP tegenkomen, het clowneske en het theatrale, vinden we hier in overtreffende trap. Puur theater wat hier gebeurt, muziek die associaties oproept met die van Nino Rota voor de films van Federico Fellino. Te beginnen in het knotsgekke 'The Guest Room' van Honsinger, gevolgd door het 'hoorspel' van Borghini: 'Il Niente E Il Poco'. Prachtig ook dat melancholieke 'Ha Ha Naru Kawa' van Honsinger, met als hoogtepunt die heerlijk schurende saxsolo van Maraffa. En dan die zang en stemkunst in 'Nientese' en 'Tractatus': heuse toneelstukken worden hier opgevoerd, alleen al die stembuigingen, in combinatie met de accenten die de instrumenten plaatsen - nog jammer dat de cd geen teksten bevat. En soms is er even sprake van instrumenteel vuurwerk, zoals in Maraffa's 'La Gallina Di Zamira', in de drie delen 'Impro' en zeker ook in 'Potsdam', waar Sartori en Maraffa elkaar de loef afsteken, gevolgd door een bijzonder weemoedige klarinetsolo van Sartori. En is het Honsinger die zingt in zijn eigen 'Malacoda'? Aan zijn Italiaans te horen wel. Kortom van alle markten thuis deze man, we zullen hem missen!
Met Roefie Hueting (Den Haag, 16 december 1923 - 4 juni 2023) is niet alleen een prominente pianist en bandleider in het klassieke jazzgenre heengegaan. Hij was ook een vooraanstaand econoom, die als een van de eersten de impact van economisch handelen op het milieu onderzocht. In 1974 promoveerde hij cum laude op 'Nieuwe Schaarste en Economische Groei: Meer Welvaart door Minder Productie?' Hueting bekleedde diverse functies bij de overheid en in adviesorganen.
Zijn studie betaalde hij met de inkomsten uit optredens. In de zomer van 1949 richtte Roefie Hueting, die autodidact was, zijn Down Town
Jazz Band op. Ze hadden het tij mee: de Dutch Swing College Band was destijds sterk in opkomst. In zijn kielzog sleepte die talloze dixielandbandjes mee, stuk voor stuk bemand door amateurmuzikanten, niet zelden nog studerend zoals Hueting. Maar er waren verschillen. Het Dutch Swing College verlegde na een hoopgevend begin, waarbij de muziek van Duke Ellington uitgangspunt was, al rap de koers. Na 1946 werd de zogeheten Austin High School Gang het oriëntatiepunt voor de band en zijn muzikanten. De meest bekende van dat schoolorkest waren trompettist Jimmy McPartland, altsaxofonist Frank Teschemacher en Bud Freeman, C-Melody- en tenorsax. Deze jongelui hadden in de jaren twintig dag in, dag uit rondgehangen bij de Royal Gardens in Chicago, waar de Creole Jazz Band onder leiding van kornettist King Oliver domicilie hield.
Roefie Hueting pakte het anders aan. Hij luisterde rechtstreeks naar opnamen van Oliver en van Louis Armstrong. En zijn muziek was losser, minder geregimenteerd dan die van het Dutch Swing College en zijn vele navolgers. De eigenwijze houding van Hueting viel niet in goede aarde bij de Haagse Jazzclub, waar de hokjesgeest welig tierde. "Ik heb vaak gezegd, Charlie Parker staat dichter bij Bessie Smith dan al die commerciële dixielandbandjes, meen ik uit de grond van mijn hart. Dat vind ik nog zo en dat is me door de Haagse Jazzclub niet in dank afgenomen." De Down Town werd zelden of nooit door de Haagse Jazzclub uitgenodigd. Toen het orkest, dat in heel Europa had opgetreden en tientallen platen maakte, in 2010 werd opgeheven omdat de penningmeester er met de kas vandoor was gegaan, ging de pianist weer meer solo optreden. Maar ook als solist voelde hij zich niet welkom in de jazzclub van zijn stad waar hij altijd heeft gewoond. "Ik had geen zin om in sessies te spelen. Wanneer je orkestleider bent heb je als pianist veel invloed. Maar daar tijdens die jamsessies zit je met dingen waarvan je zegt, ja, ik heb vroeger op een veel hoger niveau gespeeld. Ik had daar geen zin meer in."
"Er is ook een discussie geweest waarbij ik zei, in de jazzmuziek is - net als in de klassieke muziek - naast een orkesttraditie ook een
pianotraditie. Het is belachelijk dat iemand als ik daar niet mag spelen. Toen heb ik ook gezegd, ik krijg de indruk dat dat niet mag vanwege het dansen. In de Haagse Jazzclub wordt van het begin tot het eind gedanst, dat vind ik prima, maar ik heb de indruk gekregen dat het dansen belangrijker wordt gevonden dan de muziek, en die heb ik nog steeds. Meestal als ik speel wordt er niet gedanst, maar ik heb ook een enkele keer dat ik speel dat er wel gedanst wordt. Die onenigheid was er en is er nog steeds. Op een gegeven moment gleed het allemaal af naar die vorm
waarvan ik zei, ja, het heeft de uiterlijke kenmerken van jazz, maar het heeft niet echt de hartenklop van jazzmuziek. Toen ben ik eigenlijk veel meer gaan luisteren naar en vrienden gekregen bij de modernere jazz. Hoewel modern: Charlie Parker was in de jaren veertig, dat is dus ook alweer zeventig jaar geleden."
"Popmuziek is iets totaal anders dan jazz. Toen dat opkwam is meer dan de helft van het jazzpubliek weggevallen. In die tijd kreeg je ook
de meer moderne vormen, zoals bebop, waarvan mijn goede vriend Frans Elsen een van de prominenten was bij de introductie daarvan en Rob Madna, die ik natuurlijk ook heel goed gekend heb. Er was indertijd een tegenstelling hoor, tussen oud en modern. Wat mijzelf betreft; ik probeer dus zo goed mogelijk te spelen en geen ruzie te maken met mensen die anders spelen. Ik weet wel dat ik die muziek een beetje druk en nerveus vond. Dat voel ik niet meer, omdat ik van die muziek ben gaan houden. Maar ik weet wel dat ik dat toen zo vond. Dat wil ik ook niet ontkennen: in het begin vond ik het maar niks. Na meer luisteren ben ik er van gaan houden."
"… Ik weet niet eens waar te beginnen en dat is waarschijnlijk het beste bewijs van de impact die Peter Brötzmann uitgeoefend heeft op mijn leven en luisteren, en dat van vele anderen. Voor iemand met zo'n stug, ontoegankelijk imago - de man straalde uit dat de wereld naast de muziek, en dan vooral naast concerten, hem eigenlijk geen kloot interesseerde - zijn de reacties na zijn overlijden verrassend emotioneel en geschokt."
Guy Peters heeft mooie en levendige herinneringen aan de Duitse freejazzsaxofonist Peter Brötzmann, die dinsdag 22 juni op 82 jarige-leeftijd overleed, thuis in Wuppertal. "Hij was een van de meest pure, intuïtieve improvisatoren die ik ooit zag. Overweldigend en onvergetelijk. Een natuurkracht."
Op donderdag 2 maart overleed op 89-jarige leeftijd saxofonist Wayne Shorter. Daarmee ging weer een jazzicoon van ons heen. Maar gelukkig leeft zijn muziek voort, want die is nog altijd relevant, zoals saxofonist Ben van den Dungen in een uitgebreide nagedachtenis aan de saxofonist stelt.
"Wayne Shorter heeft een bijzondere, geweldige en lange carrière gehad. Hij neemt een plaats in de geschiedenis in als een leading saxofonist, een groot componist, een belangrijke bandleider en een subtiele innovator. Hij speelde in zijn hele carrière in beroemde groepen, die bepalend en toonaangevend waren en die dat vandaag de dag nog steeds zijn. Voor mij persoonlijk is de groei en ontwikkeling van het muzikale leven van Wayne Shorter zo mooi en bewonderenswaardig. Er gaat iets puurs en sympathieks van uit. Ik ervaar het ook als kwetsbaar en tegelijkertijd heeft het een enorme kracht."