Concert
Mozaïek met ontbrekende steentjes
Joris Roelofs & Han Bennink, woensdag 24 april 2024, Brouwerij Martinus, Groningen
Een beschaafde conversatie tussen twee heren. Zo zou je het optreden van het duo Joris Roelofs - Han Bennink, basklarinet en slagwerk respectievelijk, kunnen karakteriseren. Niet alleen voor de muziek zelf gold dat, ook voor de aankondigingen, die niet zelden de vorm kregen van hilarische uiteenzettingen, compleet met publieksparticipatie.
Een setlist, daar hebben de HH nog nooit van gehoord. Er werd ergens begonnen en de goden zegenden de greep. Zo mondde een improvisatie uit in een Monk-compositie. Samen met de zaal stelde Roelofs vast dat het 'Ugly Beauty' moest zijn geweest. Hij besloot ook 'Song Of The Volga Boatmen' te spelen - dat Bennink niet bleek te kennen; het betrof dus een première. Daarbij legde hij uit dat de legendarische laaggetimbreerde bas-bariton Paul Robeson (1898-1976), op wiens repertoire het sleperslied stond, de Boatmen beroemd had gemaakt. Robeson trad vaak voor duizenden arbeiders op. Een multitalent (sportman, jurist, schrijver, zanger, polyglot, linkse activist) dat in de jaren dertig vanwege het ondraaglijke racisme in zijn geboorteland Amerika zijn toevlucht had gezocht in het communisme en de Sovjet-Unie. Dat bracht hem begrijpelijkerwijs in de problemen en zijn paspoort werd hem ontnomen. Cancelen heet dat tegenwoordig. Na zes jaar kreeg hij het document terug, nadat het Hooggerechtshof had vastgesteld dat de inname ongrondwettelijk was geweest. Net als bijvoorbeeld de dichter Langston Hughes had Robeson rondgereisd in de Sovjet-Unie en beiden waren onder de indruk geraakt van de afwezigheid van racisme daar. Maar anders dan Hughes liet de zanger zijn bewondering voor dictator Josef Stalin cum suis nimmer varen. Enfin, Bennink liet zich uiteraard niet uit het veld slaan en sloeg mooie instant begeleidingsfiguurtjes.
Het recital was begonnen met een exotische improvisatie - althans, ik kon geen melodie herkennen - waarin de drummer een impliciet eerbetoon bracht aan Gene Krupa, naar wie hij in zijn jeugd uitgebreid moet hebben geluisterd. Pa Bennink was namelijk een slagwerker met een voorliefde voor Benny Goodman. Het klinkend resultaat van de improvisatie leek nog het meest op een muur waarvan het behang hier en daar had losgelaten, zodat je ook de bakstenen weer zag. Samen vormden de muzikanten een compleet orkest.
Met bescheiden, fijnzinnige zang opende Bennink de tweede set. Het lied was 'De Sprong O Romantiek Der Hazen' van zijn oude makker Misha Mengelberg. Er was eerder sprake van vrije associaties dan van vaste notenstructuren. Ook van de hand van Mengelberg was 'Hypochristmastreefuzzz'. Dat gaf weer aanleiding tot bespiegelingen over rietblazer Eric Dolphy, met wie de componist en de drummer het stuk hebben opgenomen. Bennink bleek overigens ook gewoon op een standaard drumkit te kunnen spelen. Zijn spel was een mozaïek waar steentjes uit hadden losgelaten. En Roelofs liet 'Skylark' rustig deinen, zodat we uitermate vrolijk gestemd de tapperij verlieten.
Het recital begon sfeervol met het nummer 'Glass', een ingetogen duet tussen de stem van Anna Serierse en het negentiende-eeuwse Van Dam-orgel van de plaatselijke Hervormde Kerk. Kid Downes zat zondagmiddag achter de manualen en de pedalen. Vervolgens voegden de drums van Martijn Vink en uiteindelijk het complete orkest zich bij de stem. Daarmee werd het stramien duidelijk: het orgel ging verschillende duetten aan met de respectieve blazers en ritmemensen. Daarbij benutte Downes het hele spectrum, van ijle herdersfluiten die aarzelend de ruimte binnentrippelden tot bombastische bombardementen die monolithisch diezelfde ruimte op zijn bomveiligheid testten. Soms werd het orgelgeluid bijna tastbaar, zo massief. We kunnen gerust zijn: het orgel en zijn kerk zullen het wel uithouden tot de Laatste Dag.
Downes liet het instrument ook zachtjes brommen en een enkele keer kreeg het ten gehore gebrachte ritmische dimensies door het kraken van de pedalen. Hij leverde de akkoorden waarop de instrumentalisten konden improviseren. Een heel precieus duet hoorden we in het nummer 'Spectrum', een samenspraak tussen Downes en bassist Tijs Klaassen. Voor de twee laatste nummers, 'Voice Of Reason' en 'Black Is The Colour', marcheerden de blazers - minus Joris Roelofs, wiens basklarinet trouwens de hele range van het kerkorgel bestreek - naar boven. Om gezamenlijk met de organist de gelovigen vanuit den hoge te zegenen.
Cd / Jazztube
Xavi Torres - 'Kind Of Beethoven'
Just Listen, 2022 | Opname: juli 2021
Er is een tijd geweest, niet eens zo heel lang geleden, dat klassieke muziek heilig en onaantastbaar was. Men herinnere zich de verontwaardiging die de Franse pianist Jacques Loussier ten deel viel toen hij zich verstoutte composities van Sint Bach te verjazzen. Het was dat de guillotine al afgeschaft was. Bullshit, natuurlijk: niets is heilig (behalve de kruisrelikwieën van het Sainte-Croix-triptiek in Luik, uiteraard).
Belangrijker is: zou Ludwig von Beethoven in zijn nopjes zijn geweest met de verjazzingen van zijn creaties door pianist Xavi Torres en zijn trawanten, basklarinettist Joris Roelofs en slagwerker Joan Terol? Wis en drie! Want voor Beethoven was het immers nog doodnormaal dat er door pianisten, violisten of andere instrumentalisten op zijn thema's werd geïmproviseerd (al zou dat dra veranderen).
Wanneer dus drie topimprovisatoren bezig gaan zijn sonates op hun manier te bestuderen, er hun eigen draai aan te geven, mag je iets bijzonders verwachten. Wel, bijzonder is bijvoorbeeld dat de drie interpreten zich over het algemeen wonderlijk solidair betonen met de originele partituren.
Kunst: de melodieën zijn ijzersterk. Maar soms wordt het inderdaad Beethoven 2.0. Zoals bij 'Opus 28', waar de basklarinet voor een andere dimensie zorgt. Waardoor deze ballade levendiger wordt, zwieriger. Iets dergelijks geldt voor de 'Appassionata', die de nodigde virtuositeit vergt van de muzikanten. Ook hier leveren basklarinet en slagwerk ornamenten aan die in een feestelijk slot resulteren.
Echt improviseren, dat gebeurt in 'Opus 10', zowel door Torres als door Roelofs. Ja, zo moet het rond 1798 hebben geklonken, toen de betere solisten nog ongeremd hun fantasie en creativiteit mochten loslaten op het oeuvre van de Meesters. De interpretaties van Torres zouden met andere
woorden wel eens dichter bij de oorspronkelijke uitvoeringspraktijk kunnen liggen dan je in je onschuld aan zou nemen.
Cd | Jazztube
ICP Septet + Joris Roelofs + Terrie Ex - 'Komen & Gaan' (ICP, 2021)
Opname: 10-11 oktober 2020
Pakte 'De Hondemepper' niet zo lang geleden nog uit met een relatief strak programma, dan worden de teugels weer gevierd op 'Komen & Gaan', misschien wel het meest speelse en spontane album van deze vrijbuiters in jaren. De optelsom van negen muzikanten, een uitzonderlijke locatie en een "eigenlijk is er niks fout"-filosofie leidt tot een apart hoofdstuk in het ICP-verhaal.
Voor het eerst in jaren krijg je ook - om voor de hand liggende redenen - een uitgedunde versie van het orkest te horen, waarin Tobias Delius, Tristan Honsinger en Thomas Heberer ontbreken. Hun afwezigheid wordt gecompenseerd door het uitnodigen van twee bekende gezichten: basklarinettist Joris Roelofs, die intussen al een hele tijd samenspeelt met Han Bennink, en gitarist Terrie Hessels van The Ex, een improvisator in hart en nieren die intussen ruim drie decennia speelt met diverse ICP'ers. Als Roelofs met zijn techniek en bagage naadloos aansluit bij het gezelschap, dan was Hessels altijd al een verwante geest die uitblinkt in de rebelse frictie waar het orkest zich zo graag van bedient.
Ook opmerkelijk: de locatie. Geen traditionele studio, maar Le Brocope, een theatercafé/restaurant in Friesland, waar kunst en muziek al jaren centraal staan. Op zich is het al een charmante plek, maar het karakter ervan werd expliciet in de kijker gezet, wat je ook mooi kan zien via een reeks video's waarmee je eigenlijk het volledige opnameproces kan volgen. Voor sommige stukken zaten alle muzikanten samen in het restaurant te spelen. Voor andere weken ze uit naar verschillende ruimtes in het gebouw of werd er zelfs bewegend gemusiceerd, met geluidsman Marc Schots die je achter en tussen de muzikanten ziet lopen met een extra microfoon.
Het is naturalisme ten top: je hoort het kraken van de vloer, de verschuivende akoestiek, de tingeltangelende huispianola en de aanmoedigingen van honden Hansje en Lou. Of zoals Bennink in een van de video's meegeeft: "Je hoort het komen en gaan, en dat zou ik zo graag willen op deze cd. Eigenlijk is er niks fout." Je zou dat kunnen interpreteren als gemakzuchtigheid, als gebrek aan professionaliteit, maar je hebt natuurlijk te maken met muzikanten die graag teren op risico en dat kunnen, het moment uitbuiten met een combinatie van spontaniteit en discipline. Beluister hoe ze zich voor het eerst een weg banen door Glerums 'De Linkerschoen, De Rechterschoen' en vervolgens verbaasd zijn over hoe goed die versie meteen zat. Niettemin krijg je er aan het andere uiteinde van het album nog eentje bij.
Veel muziek van het complete nonet bij elkaar krijg je dus niet. In opener 'Lucht' wordt letterlijk gespeeld met lucht, tot Ab Baars binnenwandelt met de shakuhachi en hier en daar geluiden ontglippen: een zachte altsaxgolf, gebrap van de basklarinet. Gaan de twee versies van Glerums compositie meteen in de richting van de zwierige Ellington/Strayhorn-traditie, dan is het materiaal ertussen grilliger en vrijer van aard. De drie stukken 'Komen En Gaan' zijn kleurrijke wandelingen met maffe klanken (kijk hierboven hoe trombonist Wierbos de interactie wil aangaan met een hond), driftig klaterende erupties, flarden kamermuziek-achtige elegantie en carnavaleske gekte, maar ook verrassende momenten van schoonheid (deel 3, zie hieronder).
Daarnaast: muziek die klinkt als de begeleiding bij een stille film ('Pianola Potpourri'), een serene uitvoering van Misha Mengelbergs 'Kroket', en een serie kleine bezettingen, met pianist Guus Janssen die Hessels een stukje Bach voorschotelt (en een hoop dissonant gewring terugontvangt) en in Roelofs een partner krijgt die al even virtuoos reageert, en het trio Bennink, Baars en Hessels dat geen baldadige of volumineuze anarchie nodig heeft om indruk te maken. De improvisaties zijn grillig en onvoorspelbaar, en in combinatie met hun korte duur en de talloze afwisselingen voelt het aan alsof je voortdurend opnieuw op het verkeerde been gezet wordt.
Dat maakt van 'Komen & Gaan' een album dat voor nieuwkomers misschien een beproeving kan zijn, maar eigenlijk best toegankelijk is. "Het moet een muzikale collage worden," zegt regisseur Bennink ergens, en het gezelschap hield woord, met beide termen die evenveel belang afdwingen. Dus je kan wel blijven lullen over hoe het in Mengelbergs tijd allemaal anders klonk (nee toch), maar dan maak je meteen ook duidelijk dat je het punt mist. Deze ICP'ers staan nog altijd met een been in de traditie en met het andere op het ijs. De evenwichtsoefening is er een van meesters van het moment.