Draai om je oren
Jazz en meer - Weblog





 




In memoriam
Rob van den Broeck


Vanmorgen overleed de bij zijn leven reeds legendarische kunstenaar/musicus Rob van den Broeck. Van den Broeck (*1940, Hilversum) begon als grafisch kunstenaar, studeerde aan de Rietveldacademie in Amsterdam, waar hij in 1961 afstudeerde. Sindsdien maakte hij talloze grote en kleine werken, waarmee hij exposeerde in Nederland en over de grens. Zijn werk, altijd sterk beïnvloed door toonkunst, ontwikkelde zich in de loop van de jaren van magisch realistische grafieken tot abstracte en kleurrijke assemblages, collages en schilderijen. Ondanks deze ontwikkeling behield zijn werk de persoonlijke handtekening van Van den Broeck. Een unieke, herkenbare stijl, waarbij door middel van beweging, diepte en grenzeloosheid de onderlinge dynamiek tussen objecten en figuren op verrassende wijze wordt gepresenteerd.

Nog bekender is Van den Broeck geworden als improviserend pianist. Hij zette zijn eerste schreden op het pad van de jazz in de jaren zestig, met het trio van saxofonist Tony Vos, wat later met slagwerker Han Bennink. Spoedig volgden Nederlandse tournees met Amerikaanse sterren als Ben Webster, Dexter Gordon en Louis Hayes. In de jaren zeventig maakte Van den Broeck furore met zijn eigen formatie Free Fair (met Dick Vennik) en was hij toetsenist bij Chris Hinze. Hij werkte met grote orkesten in binnen- en buitenland, maakte talloze albums, deed tournees en concerten met musici als Charlie Mariano, Joe Farrell, Gerd Dudek, Tony Oxley, Tony Levin en het European Jazz Ensemble van Ali Haurand. Hij bespeelde behalve piano ook Fender Rhodes en analoge synthesizer, schuwde evenmin het gebruik van samplers en digitale machines. Toch is hij levenslang vooral akoestisch pianist gebleven. Kenmerkend voor zijn spel is verrassing, levendigheid, gedurfde sprongen in het ongewisse, een niet te onderdrukken – bijna kwajongensachtige - hang naar vrijheid. Wie met Van den Broeck optrad, wist dat hij altijd zocht naar openingen om aan de voorgeschreven nootjes te ontsnappen, soms tot grote schrik van dirigent of bandleider.

Rob van den Broeck was tevens als componist actief. Hij combineerde een voorliefde voor moderne 'modale' jazz (Thelonious Monk, McCoy Tyner en Chick Corea) aan een grenzeloze bewondering voor de klankwerelden van hedendaagse componisten als Stravinsky, Bartok, Berg en Lutoslawski.

Rob van den Broeck stond zijn leven lang open voor het grote experiment, vooral als hij dat kon aangaan met jonge, talentvolle en eigenzinnige artiesten. In Nederland trok hij veel op met avontuurlijke musici als Eric Vloeimans, Paul van Kemenade, Wiro Mahieu, Jeroen Pek, Onno Witte, Albert van Veendendaal, Yonga Sun, Semmy Prinsen, Ben van den Dungen, ondergetekende en geluidskunstenaar Piet Jan Blauw. Jarenlang was hij de vaste begeleider van de internationaal opererende vocaliste Masha Bijlsma. Van den Broeck was van 1980 tot 2000 als docent piano verbonden aan het Arnhems Conservatorium en heeft met zijn knowhow en enthousiasme vele inspirerende bijdragen geleverd op het gebied van improvisatie en jazzpiano. In 2010 ontving hij tijdens Festival de Muzen in Amersfoort de Amer Award uit handen van Co de Kloet, "for his continuous and dynamic contribution to the development of Dutch and German jazz and improvised music".

Van den Broeck woonde lange tijd in Baarn en Soest, maar verhuisde enkele jaren geleden naar Enter. Aanstaande zaterdag 5 mei zou hij optreden in Artishock Soest, als special guest in het kader van Jazz aan de Amer. Het concert zal ter ere van Rob van den Broeck doorgang vinden en bezoekers worden uitgenodigd het gedachtenisboek te tekenen.

Labels:

(Stormvogel, 30.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Jason Stein – 'In Exchange For A Process' (Leo Records, 2009)


Jason Stein is een van de weinige jazzmuzikanten die uitsluitend basklarinet speelt. Het sonore enkelriet werd onder avontuurlijke muzikanten pas in de jaren zestig populair nadat Eric Dolphy er pionierswerk op verrichte, maar is vaak een tweede of derde keus voor saxofonisten die er nog iets bij willen doen. Zodoende is het vocabulaire voor de basklarinet minder ver uitgediept dat van de meeste andere blaasinstrumenten in de geïmproviseerde muziek.

'In Exchange For A Process', een soloplaat, is daarom een zeer welkome bijdrage aan de emancipatie van dit instrument en een vademecum van alles wat mogelijk is op de basklarinet. Boventonen, gespleten noten en microtonaliteit, allen omlijst door voldoende stiltes, geven het geheel de sfeer van een schaduwbokspartij. Hierin sluit dit album aan bij de lange traditie van door rietblazers uit Chicago uitgebrachte soloalbums, die begon met Roscoe Mitchell en Anthony Braxton en zich sindsdien blijft ontwikkelen.

Om zijn kennis van de traditie duidelijk te maken, zijn Steins stukken vaak schijnbaar opgedragen aan grote basklarinettisten, zoals 'Histerical Eric', waarmee naar men mag aannemen Eric Dolphy bedoeld wordt. Toch is Stein vooral zijn eigen man, wiens encyclopedische kennis van de basklarinet spreekt van een grote visie. Misschien is de enige zwakte van deze plaat dat hij wel erg technisch is; met name andere rietblazers zullen plezier beleven aan de onconventionele strapatsen van Jason Stein.

Meer horen?
Klik
hier om een solo-optreden van Stein te zien.

Labels:

(Sybren Renema, 30.4.12) - [print] - [naar boven]





Nieuws
Toots Thielemans 90!


'Als de heuse baron die hij sinds 2001 is, hanteert Jean 'Toots' Thielemans een treffende wapenspreuk. Die voert hij al zijn leven lang. "Be yourself, no more, no less…" Probeer nooit een ander te zijn, je ánders voor te doen dan je werkelijk bent, wees jezelf!

En wie al van plan was hem te vragen naar het geheim van zijn muziek, evenals naar het recept van zijn indrukwekkende internationale jazzcarrière die nu al bijna 70 jaar aanhoudt, slikt dat voornemen onmiddellijk in. Immers, die paar woorden van zijn motto geven het alleszeggende antwoord.

Toots is gewoon zichzelf en speelt de muziek die hem raakt. "Ik vertrouw op mijn kippenvel, dat is mijn antenne! Er gaat een prikkeling via mijn hersens naar mijn hart. Zou het mogelijk zijn kippenvel te krijgen van iets dat uw hoofd niet verstaat?

Zie 'k bewonder avant-garde muzikanten, maar krijg van hun muziek geen inspiratie. Toch prikkelt hun muziek me wél en ben ik steeds nieuwsgierig genoeg om er naar te luisteren. Nee, 'k wil geen antiek meubelstuk zijn dat ge af en toe eens kuist."

Die onbevangenheid is misschien wel… nee, is beslist het grote geheim van de nu 90-jarige Jean Toots Thielemans, lyrisch mondharmonicavirtuoos, onvergetelijk 'unisono whistler' en begaafd jazzgitarist, met Brussel en New York als vaste uitvalsbases naar de rest van de planeet. Een wereldster die, anders dan velen, zichzelf niet als het middelpunt der aarde beschouwt. Een toonkunstenaar met welhaast het eeuwige muzikale leven.'

tekst uit de nieuwe biografie over Toots Thielemans door René Steenhorst

Meer zien en horen?
Kijk hier naar een interview uit 1992 bij Toots thuis.

Labels:

(Cees van de Ven, 29.4.12) - [print] - [naar boven]





Column Herbert Noord
Avondje uit


"Er zijn nog steeds positief ingestelde denkers, die bij hoog en bij laag volhouden dat het wel weer goed komt met 'echte' muziek. Ik waag dat te betwijfelen, sterker, ik weet wel zeker van niet. Er zijn nu al minstens twee generaties opgegroeid met een beeld dat dj's op een voetstuk plaatst. Een voetstuk bestaande uit financieel en cultureel succes. Dj's bungelen niet onderaan de sociale ladder, zoals veel musici vroeger, en de succesrijken worden oneindig beter beloond dan huidige succesrijke musici."

Livemuziek is verdoemd tot de ondergang, stelt onze diehard-columnist Herbert Noord. Klik op bovenstaande button om zijn column te lezen.

Labels:

(Maarten van de Ven, 28.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Hemelbestormend

Ambrose Akinmusire Quintet, maandag 9 april 2012, Bimhuis, Amsterdam

Welke rechtgeaarde jazzliefhebber kent niet de fameuze woorden bij de opening van het Blue Note-album 'A Night At Birdland' van het Art Blakey Quintet? Op de geluidsdrager wordt relatief veel ruimte ingeruimd voor de introductie van de musici door de onderkoelde stem van Pee Wee Marquette. Met name de wijze waarop hij de nieuwe trompetsensatie Clifford Brown aankondigt, is legendarisch. Nu wordt te pas en te onpas een nieuwe  hemelbestormende instrumentalist, componist of zanger aangekondigd. Vooralsnog is Dave Douglas binnen de jazz de laatste grote vernieuwer op de trompet. Afgaande op zijn meesterlijke instrumentbeheersing in Amsterdam dient Ambrose Akinmusire zich wellicht als zijn opvolger aan.

Akinmusire, bijna dertig jaar, krijgt in 2011 bekendheid met zijn volprezen debuutalbum op Blue Note, 'When The Heart Emerges Glisterning'. Tien jaar eerder is hij gevormd door zijn ontdekker M-Base pionier Steve Coleman, waarna hij daadwerkelijk deel uitmaakt van Coleman's Five Elements. De lijst van medespelers is hierna uitgebreid met de saxofonist David Binney en de pianisten Jason Moran, Vijay Iyer, Aaron Parks en John Escreet. In 2007 mocht Akinmusire de Thelonious Monk International Award in ontvangst nemen. Met het hele trompet-erfgoed in het geheugen gegrift - Louis Armstrong, Roy Eldridge, Dizzy Gillespie, Clifford Brown, Lee Morgan, Miles Davis en wie al niet meer - is het geen sinecure om hier iets aan toe te voegen. Akinmusire geeft niet alleen blijk over een imposante technische bagage te beschikken, maar blijkt ook met branie te kunnen soleren. Hij is een vindingrijke improvisator en de controle over zijn ademhaling en zijn embouchure is weergaloos. Met het brede scala aan geproduceerde geluiden val je van de ene verbazing in de andere. Hij laat zich binnen een tijdbestek van seconden van zijn meest menselijke, delicate kant zien, om direct daarna hoog energetisch uit de hoek te komen. Hij beschikt over een groot arsenaal aan onorthodoxe verfraaiingen, van hees fluisterend of grommend tot een spetterende loepzuivere doordringende toon. Zijn spel is muzikaal virtuoos, rationeel en zeer organisch.

Met zijn uiterst getalenteerde en jeugdige kwintet gaat de ventielspeler compositorisch risicovol te werk. Bij de openingszetten in het titelstuk 'Richard' doemen, afwisselend subtiel of extravert, abstracte en diepgravende trompet-statements op. Geleidelijk dringt het lieflijk thema zich op en omspeelt tenorist Walter Smith het op indringende wijze, waarna pianist Sam Harris het stokje overneemt in een bedachtzame lyriek. Opgestuwd door bassist Harish Raghavan en drummer Justin Brown wordt de compositie een exercitie van free jazz met een avontuurlijke trompetsolo, vergezeld van tegendraadse pianoklanken. Deze aanpak is in de eerste set exemplarisch voor de reeks huiveringwekkende verschuivingen en plotselinge muzikale wendingen. Na deze lange prelude volgen stukken waarin Akinmusire spaarzaam soleert en opvallend veel ruimte tussen de noten laat. Nieuwsgierigheid naar het vervolg blijft altijd aanwezig. Akinmusire's duet met Harris, in 'Regret No More', stelt de trompettist in staat elke vezel van emotie uit zijn instrument te halen, onder neoromantische pianobegeleiding.

De tweede set begint bijna even imponerend als de eerste. Aangrijpend als bij 'The Last Post' opent Akinmusire onbegeleid. In het vervolg van 'Marie Christie' wordt onder een voortdurende, daadwerkelijke of denkbeeldige, puls het kernachtige en dramatische thema vermengd met langere solo's en hechte unisono passages. Met uitzondering van het kwetsbare en waterige 'Henya', afkomstig van zijn debuut-cd, wordt opvallend veel nieuw materiaal voorgeschoteld. Verrassend bij deze ingehouden passie is Akinmusire's messcherpe commentaar op zijn eigen spel. Naar het einde toe dooft het optreden langzaam uit. De zware basklanken van Raghavan vormen een aardig contrast met de zoetige trompetklanken en na een drumsolo toont Akinmusire nog een keer zijn meesterschap met een krachtige, volle solo.

Ambrose Akinmusire heeft aangetoond te kunnen uitgroeien tot de trompet-bovenmeester van de komende jaren. De uitgestrektheid van zijn spel is levensgroot, van luchtig tot zwaar aangezet. Het verrast per definitie en is compositorisch interessant en uitdagend. Het is wachten op een groter publiek en een nieuw album. Hulde!

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Cees van de Ven.

Labels:

(Louis Obbens, 27.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
The Boswell Sisters – 'Collection' (Storyville, 2010)

Opname: 1925-1936

Hoe ver de Boswell Sisters hun tijd vooruit waren, besef je gelijk wanneer je hun vocale verrichtingen vergelijkt met de aanpak van hun begeleiders. Hoewel dat doorgaans geen kleine jongens waren (Dorsey Brothers, Glenn Miller, Benny Goodman), verbleken hun verrichtingen naast en achter de flexibele, humoristische zang van de zusters Vet, Martha en Connee. Afkomstig uit New Orleans waren het echte jazzmeiden, die een zaak als timing beschouwden als iets waar naar hartenlust mee gesold kon worden.

Deze box met vijf cd's en een dvd bevat het (bijna) complete studiowerk uit de periode 1925-1936. Door afwisselend lead te zingen kleurden ze hun sound en met name Connee was een superieure soliste, de voornaamste inspiratiebron voor Ella Fitzgerald.

Verbijsterend is ook de wijze waarop ze de teksten soms naar een eigen dieventaaltje transformeerden. Zo werd de frase 'When a bull looks at a cow' (uit 'That’s Love'): 'Wheggle-den a buggle-dull looks at a coggle-dow'. En dat liefst in een goddeloos tempo. Ik had altijd gedacht dat dat een uitvinding was uit de jaren zestig, van de zwarte grote stadsjeugd. Maar deze lelieblanke maagden waren er dus veertig jaar eerder mee.

Labels:

(Eddy Determeyer, 27.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
De stilte voorbij

The Kyteman Orchestra, vrijdag 6 april 2012, Tivoli, Utrecht

In de gang naar de concertzaal van poptempel Tivoli verdringen zich de twintigers en dertigers en een enkele jongere oudere. Bijna drie jaar hebben ze moeten wachten op een nieuw concert van Kyteman en zijn orkest. De verwachtingen zijn torenhoog. Was het het wachten waard?

Eerst het voorprogramma. Een zanger, waarvan me de naam ontschoten is, weet met zijn eerste nummer te boeien. Technopop en een staccato zangstem, het is verrassend. Dus: applaus, applaus. De volgende nummers zijn meer van hetzelfde. Het enthousiasme van het publiek neemt zienderogen af. De zanger gaat heftiger heen en weer springen, alsof dat de sfeer zal terugbrengen. Hij kondigt zijn laatste nummer aan. Opluchting in het applaus. Eindelijk tijd voor Kyteman. Maar eerst is het nog pauze.

Op het podium wordt wat met microfoons geschoven, de sousafoon houdt een verkenningstochtje en de rookmachine gaat aan. Weer gewoon pauze. Dan is het eindelijk zover. De zaallichten gaan uit. Donkere, vibrerende klanken, tokkelende violen en af en toe een heldere 'ting' van een triangel. Het concert is begonnen. De muziek zwelt aan, de theaterlampen schijnen in paarse bundels op het podium en je ziet het orkest in volle glorie staan: rechts de strijkers, in het midden de slagwerkers, links het koper en daarachter een koor. Dat was er nog niet in Kyteman's Hiphoporkest. Ook zijn er nu meer strijkers en minder rappers. Er is ook iets hetzelfde gebleven: Kyteman die de boel aan elkaar dirigeert, zoals alleen hij dat kan. Eén geworden met de muziek danst hij oervormen en -gebaren. Voor het publiek geheimtaal, maar zijn medemuzikanten weten precies wanneer hij het tempo wil vertragen, kleine klanken wil horen of de boel wil laten exploderen.

Deze kenmerkende dynamiek zit meteen al in het eerste nummer 'Preaching To The Choir'. Als het koor inzet, liefst zeventig koppen sterk, zwelt de muziek aan tot grootse hoogtes. Het is alsof Tivoli terugspringt in de tijd en we in de kloosterkerk, de oorspronkelijke bestemming, luisteren naar Orffs opera, de 'Carmina Burana'. Maar daarvoor zijn de klanken weer te veel van deze tijd. Kyteman omschrijft ze zelf als "een verzameling geluiden, ergens tussen opera, hiphop, drum & bass, elektro, minimal music en allerlei andere genres die ik niet eens kan beschrijven, omdat ik er de woorden niet voor heb."

In een volgend nummer - is het 'While I Was Away'? - flitsen de spotlights aan en uit. Het orkest produceert chaotische klanken, met daaronder een stevige beat en felle uithalen van de cello en de violen. Een opzwepend geluidsspektakel in hoog tempo, alsof jarenlang samengebalde energie de vrijheid zoekt en vindt. Dan klinken er weer violen, nu als avontuurlijke klanken in de nacht. De twee hiphoppers nemen het midden van het podium in en rappen tegen elkaar in, en het koor maakt het geheel af met stevige klankzuilen.

Tijd voor het praatje met het publiek, ook al houdt Kyteman daar niet van. "Ik weet nooit wat ik voor een microfoon moet zeggen. Ik ga muziek maken. Geniet ervan." Daar waren we al mee bezig. In 'Long Lost Friend' nemen de toetsen het voortouw met een bekende melodie. Is het 'Summertime'? Kyteman heft zijn trompet ten hemel en laat wat klanken horen. Kippenvel, en anders niet. De hiphoppers vallen in en weer het koor als versterking. Naarmate het nummer vordert, neemt de klankenkakofonie toe met de sousafoon als smaakmaker.

Vervolgens begint er een nummer klein: minimale klanken van de toetsen, een beetje dissonant. Tussendoor wervelt een warme waterval aan vioolklanken. Daarna verschuift de klankkleur naar het duister der aarde. Het koper valt in en trekt de melodie omhoog. Deze hele op- en neergang wordt een paar keer herhaald. Is dit een inkijkje in zoeken naar je eigen muziekstijl? Of verhaalt het over Kytopia, de muziek-vrijplaats van Kyteman aan de Utrechtse Zeedijk?

Tijd voor vuurwerk! 'Angry At The World' klinkt via stevige paukenslagen en een scherpe rap in felrode spotlights. Het koor zingt zich de longen uit het lijf. Het vuurwerk heeft ook een sterke swing. Met hun strijkstok wijzen de violisten naar de rappers, dansend op de maat. Kom daar maar eens om in een klassiek concert. Een volgend nummer is sterk filmisch. De uptempo trommels, het getrompetter van Kyteman en de steeds sneller zingende hiphoppers roepen beelden op van barbaren in Rusland, die gehurkt dansend steeds sneller hun benen van de vloer doen, met het koor als opzwepende toeschouwer.

Dan dalen de klanken neer. Broze drieklanken van de toetsen en langzaam strijkende violen. Het is alsof een muziekdoosje opengaat met een muziekje om je in te hullen. Traag als de nacht klinkt de trombone. Een vioolstem kringelt omhoog, op zoek naar de maan. In de tuba brandt een kaarsje.

Zo wisselen de verrassende en indrukwekkende composities elkaar af, strak gecomponeerd en strak gespeeld. De lichtshow is een voorstelling op zich. Als schuivende decorstukken staan steeds andere delen van het orkest in de schijnwerpers. Alles klopt zó precies dat er geen ruimte meer is voor speelse luchtigheid. Die is er wel in de toegift. Dan zijn de nummers op, volgens Kyteman, maar daar komen hij en zijn orkest niet mee weg. "We kunnen wel gaan jammen," geeft hij toe. Losjes bouwt het orkest een melodie op tot de spanning ervan af knalt. De meeste muzikanten laten horen dat ze ook nog kunnen soleren. Het publiek gaat nu echt uit zijn dak en staat volop te swingen. Als je zo kunt spelen, hoef je helemaal geen tweeënhalf jaar te wachten met een volgend project.

Klik hier voor een fotoverslag door Louis Obbens van het concert dat The Kyteman Orchestra op 19 april gaf in 013, Tilburg.

Labels:

(Heleen van Tilburg, 25.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Toots Thielemans - 'Yesterday & Today' (Out Of The Blue, 2012)

Opnamen: 1946-2001

Of producer Cees Schrama doelbewust een zo divers mogelijk album heeft willen samenstellen, weet ik niet. Het resultaat loopt in stilistisch en kwalitatief opzicht in ieder geval uiteen van naïef en bedenkelijk tot subliem en geraffineerd.

Het mooie is natuurlijk, dat zo'n beetje de hele carrière van den Toots op twee volgepakte schijfjes is geëtaleerd. Van swingopnamen uit 1946 met het saxofoonorkest van trompettist Robert de Kers tot een registratie met zijn vaste toetsenspeler Kenny Werner, anno 2001. Op die allereerste track, een heftig swingende 'Jazz Band Ball' (niet te verwarren met het oudere 'At The Jazz Band Ball'), laat Thielemans al horen dat hij ergens tussen Django Reinhardt en Charlie Christian staat. Net als die eerste evolueerde hij al snel richting bebop. Heeft hij in 1949 Bill De Arango en Billy Bauer al gehoord? Vermoedelijk wel, getuige 'Crazy Bop' en 'It Had To Be “Bird”', twee eigen composities.

Voor de jazzliefhebbers is de eerste cd sowieso het meest belangwekkend. Op het tweede schijfje slaan de filmthema's toe met alle ellende van dien. In de in 1950 in Stockholm geregistreerde 'Nalen Boogie' horen we Thielemans voor het eerst op harmonica en - ondanks sporen van Larry Adler - is duidelijk dat hij hier reeds tot de wereldtop behoort. 'Dynamite' is een typisch jaren 50-niemendalletje dat je terugvoert naar zo'n roerloze zondagmiddag op een Roomse kostschool in het zuiden des lands. Achteraf misschien wel grappig, maar destijds – brrr! Nee, dan roept het eveneens instrumentale 'The Cuckoo In The Clock' betere herinneringen aan diezelfde fifties op, met tekstdichter en zanger Johnny Mercer die dat liedje op zijn onnavolgbare wijze vertolkte.

De twee tracks met het kwintet van pianist George Shearing worden gekenmerkt door ijzersterk samenspel en in 'Hot Toddy' horen we Toots voor de eerste keer unisono meeneuriën met zijn gitaarsolo. 'Melancholic Harmonica' uit 1965 profeteert het nakende filmwerk, maar van 'Oh! Suzanna' (daterend uit 1848) van drie jaar later weet Thielemans een hip en swingend opus te maken.

Hilarisch is het country & westernnummer 'Mr. Nashville', met vioolveteraan Svend Asmussen, compleet met wah-wah pedaal. Van hoestekstschrijver Jeroen de Valk leer ik dat het nummer 'Chump Change', een typisch bigband-fusiongeval uit de jaren zeventig, meer dan vier decennia is gebruikt als herkenningsmelodie van 'Langs De Lijn', een sportprogramma als ik mij niet vergis. Voor mij was het nieuw.

Met 'There Is No Greater Love' presenteert de Belgische baron zich zoals de luisteraars van het betreurde progamma Tros Sesjun zich hem herinneren. Geconcentreerd en speels tegelijkertijd, intens samenwerkend met pianist Rob Franken, een van Thielemans' favorieten.

De tweede cd bevat ook twee solo's van de gitarist. In 'The Slickest Man In Town' zingt hij een soort cartooneske nonsenssong. Indrukwekkender in zijn eenvoud is 'Black Beauty', een Ellington-beauty uit 1927, naar verluidt gecomponeerd naar aanleiding van de dood van zangeres Florence Mills, de 'Queen of Happiness', een collega uit de Cotton Club.

Labels:

(Eddy Determeyer, 22.4.12) - [print] - [naar boven]





Nieuws
Eddy Determeyer genomineerd voor JJA Jazz Award


Onze recensent Eddy Determeyer maakt kans op een van de Jazz Awards van de Jazz Journalists Association (JJA). Hij is genomineerd voor zijn liner notes voor 'The Complete Jimmie Lunceford Decca Sessions', een 7-cd box set op het gerenommeerde Mosaic-label. Daarin moet hij zien 'af te rekenen' met zwaargewichten als Kevin Whitehead, die in de race is met zijn liner notes voor 'Sam Rivers And The Rivbea Orchestra - Trilogy' op Mosaic Select en Francis Davis, die twee keer is genomineerd, bijvoorbeeld voor zijn hoestekst bij het album 'Sonny Rollins Road Show, Vol. 2' (Doxy Records).

Voor de jaarlijks uitgereikte Jazz Awards onderscheidt de JJA liefst 40 categorieën, zoals 'Life Achievement in Jazz' (waarvoor dit jaar Muhal Richard Abrams, Ron Carter, Wayne Shorter en Horace Silver genomineerd zijn), 'Record of the Year' (met nominaties voor bovengenoemde cd van Sonny Rollins en Craig Taborns 'Avenging Angel') en de diverse muzikanten-categorieën (trompet, tenorsax, drums, etcetera). Maar er zijn ook Jazz Awards te vergeven voor bijvoorbeeld de beste jazzwebsite, het beste jazzboek en de beste jazzfoto. Needless to say dat de nadruk daarbij vooral op Amerikaanse makelij ligt. De winnaars van de Jazz Awards 2012 worden in juni bekendgemaakt.

Klik
hier om alle nominaties te bekijken.

Labels:

(Maarten van de Ven, 19.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Catherine Russell – 'Strictly Romancin’' (World Village/Harmonia Mundi, 2012)


Gerechtigheid! In maart was 'Strictly Romancin’' van vocaliste Cat Russell het meest gedraaide album op de Amerikaanse radio. Is er dan toch nog ruimte voor eerlijke ouderwetse jazz en blues, naast al die flauwekul die daar tegenwoordig voor door moet gaan?

Als dochter van de leider van de hardst swingende bigband van de vroege jaren dertig en van de zangeres van het orkest van Erskine Hawkins heeft Catherine Russell natuurlijk een streepje voor op de concurrentie. Maar ze ís ook echt de beste, de meest authentieke jazz- en bluesvocaliste van de laatste tien jaar. In het Pantheon van de Classic Blues Singers past ze perfect tussen Alberta Hunter en Ethel Waters, waarbij nadrukkelijk moet worden aangetekend dat ze een volstrekt eigen geluid bezit.

Haar warme, expressieve, in alle registers even krachtige stem voelt zich het meest op haar gemak in de bluesnummers. Soepel is ze en effectief en haar band begeleidt haar al even voorbeeldig. Ook de arrangementen voor vier blazers van trompettist Jon-Erik Kellso en tenorist Andy Farber zijn stijlvast, zonder tot oubolligheid of onbenulligheid te vervallen. In een enkel nummer zorgen de gitaar van Matt Munisteri en de accordeon van Joe Barbato voor een Parijs interbellumsfeertje, maar voor het overige is het Harlem 1936 wat de klok slaat.

Meer horen?
Op de
MySpace-pagina van Catherine Russell kun je twee tracks van dit album beluisteren: 'Under The Spell Of The Blues' en 'Wake Up And Live'.

Labels:

(Eddy Determeyer, 19.4.12) - [print] - [naar boven]





Vooruitblik
dOeK Festival viert 10-jarig bestaan


Het dOeK Festival viert zijn tienjarig jubileum en pakt groot uit met twee avonden in het Bimhuis, een tour langs underground-podia, een interactieve klankinstallatie voor jong en oud en concerten op podia buiten Amsterdam.

Op zaterdag 21 april begint de avond met Sun Rooms, een trio bestaande uit Chicago's rising stars vibrafonist Jason Adasiewicz, bassist Nate McBride en drummer Mike Reed. Vervolgens WoKaLi, een al even spannend drietal met trombonist Wolter Wierbos, pianist Achim Kaufmann en drummer Christian Lillinger. De avond wordt besloten met de formatie Boerenbond, die 'nieuwe composities voor land- en tuinbouw' ten gehore zullen brengen. Dat belooft wat met creatieve geesten als trompettisten Eric Boeren en Peter Evans, toetsenist Cor Fuhler en drummer Michael Vatcher.

De kick-off van de tweede festivaldag, zondag 22 april, wordt verzorgd door The Now, een kwartet met fluitist Nicole Mitchell, rietblazer Peter van Bergen, bassist Wilbert de Joode en drummer Hamid Drake. Daarna wordt jazz uit de oude doos grondig opgeschud door The Gap, een formatie met onder anderen saxgenius Tobias Delius, trompettist Axel Dörner en drummer Steve Heather in de gelederen. De schurende pop à la impro van The Job besluit het dOeK Festival met vrije geesten als toetsenist Oscar Jan Hoogland en de jonge drummer Onno Govaert, die momenteel met Cactus Truck de vaderlandse podia onveilig maakt.

dOeK blijft onverminderd nieuwe wegen inslaan. Barrières tussen verschillende disciplines worden geslecht, de banden met de jongste generatie improvisatoren worden aangehaald en er staan nog talloze initiatieven op stapel voor de volgende tien jaar.

Klik hier voor meer informatie over het dOeK Festival.

Labels:

(Maarten van de Ven, 18.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert/ The Jazztube
Vakmanschap is Mehldau

Brad Mehldau Trio, donderdag 22 maart 2012, Bimhuis, Amsterdam

Hij voelt zich thuis in het Bimhuis, maar pianist Brad Mehldau is dan ook onderhand praktisch een Amsterdammer. Zoals hij zelf beaamde bij zijn spontane inleidingspraatje in algemeen beschaafd Nederlands: "Ik woon hier de helft van het jaar met mijn gezin." En dat hij zich thuis voelt was aan hem af te zien, tijdens die eerste van drie opeenvolgende avonden in het Bimhuis (twee keer met trio, eenmaal solo). Niet dat hij er maar eens even zijn gemak van nam, want zijn waarachtigheid houdt hem daar verre van. Alles aan hem, zijn spel, zijn uitstraling, zijn omgang met het publiek en zijn bandgenoten: het getuigt van een zeer hoge artistieke moraal. Applaus neemt hij in ontvangst met gevouwen handen, nederig, als een monnik.

Het trio had het druk, deze avond. Het was duidelijk dat de heren zoveel mogelijk aan bod wilden laten komen, waaronder in ieder geval een paar nummers van 'Ode', hun nieuwste cd. Fraai en kenmerkend was de ouverture van de avond: Mehldau begon alleen, en met enkel zijn linkerhand, die hij demonstratief vanuit de hoogte op het klavier liet neerdalen. Bijna ogenblikkelijk was meerstemmigheid hoorbaar, een melodie compleet met begeleiding.

Geïmproviseerde meerstemmigheid is een van Mehldau's specialiteiten. En nooit l'art-pour-l'art, maar altijd ter uitbreiding van de expressieve mogelijkheden. Tja, alsof Mehldau die anders niet genoeg zou hebben. Zoals hij alleen al het thema neerzette van het tweede nummer, 'Flaming Pie' van Paul McCartney: dat was gewoon puur zingen. Mehldau moet daar thuis mee experimenteren als een wetenschapper in zijn lab. En wie nu zegt "Thuis experimenteren? Welnee, dat gooit hij er zo uit!", moet maar eens luisteren naar Mehldau's adaptatie van 'Teardrop' van Massive Attack (zie bovenstaande Jazztube). In deze liveopname van Jazz à Vienne 2010 hoor en zie je duidelijk het resultaat van intensief onderzoek, met als doel de menselijke stem in pianoklanken te vangen.

Een andere specialiteit van Mehldau is – het blijkt al uit de twee songs die ik zoëven noemde – de hommage die hij graag brengt aan wat ik maar even 'een sterke popsong' noem. Een lofwaardig streven, vind ik persoonlijk. Lukt het met zo'n eerbetoon, dan heb je er zó een splinternieuwe jazzstandard bij. Of anders in ieder geval een verrassend muzikaal avontuur, zoals een paar jaar terug met 'Martha My Dear', wat mij betreft een van de hoogtepunten in Mehldau's oeuvre. Maar ja, waar voldoet een sterke popsong aan? Hoe kies je die uit?

Mehldau probeert het ook met 'Holland' van Sufjan Stevens. Mooi, raadselachtig poëtisch materiaal, en daarmee een begrijpelijke verleiding voor Mehldau. Maar bij een nummer als dit ontstaat er geen magie, vind ik. Alleen een herhaling van zetten, en veel emotie. Geen wonder: een nogal gemiddeld popliedje als dit biedt gewoon te weinig substantie om te transformeren tot iets nieuws, tot iets boeiends. Probeer je er toch wat mee, dan krijg je het soort improvisatie dat ook al door rockbands in de jaren zeventig werd gedaan: wijd uitgesponnen, extatisch, maar zonder veel verrassing.

Dit 'mistasten' van Mehldau is overigens niet helemaal een incident. Hij maakt dit soort keuzes wel vaker en is daardoor, naast een wonderkind, een kind van zijn tijd. Enerzijds staat hij voor wervelende virtuositeit en grossiert hij in smaakvolle harmonische vondsten, anderzijds zoekt hij met zekere regelmaat een ongecompliceerde roes waarmee hij rechtstreeks probeert op te stijgen naar de hemel.

Neemt niet weg dat het over all een buitengewoon geslaagd concert was. Mehldau kán volgens mij ook nooit ver onder topniveau uitkomen. We zijn toch maar een mooi stelletje bofkonten, met zo'n geniale buurtgenoot.

Labels: ,

(Paul van den Belt, 17.4.12) - [print] - [naar boven]





Nieuws
Verjaardag Han Bennink


Nederlands jazzicoon Han Bennink is vandaag 70 jaar oud geworden. Door de Columbia University is de drummer uitgenodigd om aldaar in New York zijn verjaardag te vieren - te weten op 21 april in het Italian Theater, samen met Richard Teitelbaum, Mark Dresser, Uri Caine, Ray Anderson en zijn ICP-collegae Michael Moore, Thomas Heberer en Mary Oliver.

Morgen geeft Bennink een concertje met Will Holshouser en Michael Moore in Dixon Place te Manhattan. En verder geeft hij deze week workshops in de gerenommeerde Guardia High School for the Performing Arts (de Fame-school).

Radiostation WKCR zendt tot en met komende zaterdag muziek van Han Bennink uit - liefst 24 uur per dag! Het eerdergenoemde concert ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag wordt komende zaterdag live uitgezonden.

Klik hier voor meer informatie.

Labels:

(Jacques Los, 17.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Darius Jones Quartet - 'Book Of Mæ’bul (Another Kind Of Sunrise)' (AUM Fidelity, 2012)
Opname: 2011

Saxofonist Darius Jones is een man met een roeping. Dat was al duidelijk vanaf zijn zwaar in de gospel verankerde debuutplaat 'Man’ish Boy (A Raw & Beautiful Thing)' (2009). Het werd verfijnder uitgewerkt in het gezelschap van zijn vaste trio op 'Big Gurl (Smell My Dream)' (2011) en krijgt nu een gepast einde in het bijzijn van een nieuw kwartet. Dat laatste kan ook niet wegsteken dat Jones een uniek componist en stilist is. Het doet deugd om te mogen vaststellen dat de belofte van dat debuut helemaal ingelost wordt met het slotdeel in een trilogie die boeit van de eerste tot de laatste minuut. Of toch bijna.

Tussen deel 1 en 2 van het autobiografische drieluik was Jones' zijn actieradius aardig gaan uitbreiden, met onder meer noisejazzkwartet Little Women en een duoplaat met Matthew Shipp. Nu is dat anders, want 'Book Of Mæ’bul (Another Kind Of Sunrise)' – al opgenomen op het moment dat 'Big Gurl' in de winkelrekken belandde – volgt na amper een half jaar. Verwerkten de voorgangers het leven van de jonge(re) Darius, dan wordt deel 3 verondersteld om een samenvatting te zijn van de periode voor, rond en na zijn verhuizing naar New York in 2005, en meteen ook een ode aan de belangrijkste vrouwen in zijn leven. Iets wat zich dan ook laat voelen aan de diepe sensualiteit die deze muziek soms overmeestert.

Maar meest opmerkelijk is dus dat het formaat is uitgebreid van een trio naar een kwartet. Reguliere speelpartners Jason Nazary en Adam Lane werden daarbij vervangen door de ronkende ritmesectie van drummer Ches Smith en bassist Trevor Dunn. Dat terwijl er een joker wordt ingezet met pianist Matt Mitchell. Zij gaan allen mee in het verhaal van Jones, waarin vrijheid en structuur nog steeds een dansje uitvoeren tussen de werelden van intellect en gevoel, al lijkt een eerste beluistering te suggereren dat de charmante aardsheid, nog zo sterk op het voorplan op 'Man’ish Boy', een iets minder prominente rol speelt.

Veel heeft daarbij te maken met de ongewone composities en opvallende sound van Jones. Stel hem centraal en die zingende, soms wat klagerige, nasale toon trekt steeds alle aandacht naar zich toe, met een urgentie die je zelden te horen krijgt bij hedendaagse altsaxofonisten. Door hem tegenover een pianist te stellen lijkt het wel alsof de bluesrandjes en modderresten bijgevijld en weggeveegd worden. De muziek krijgt daardoor meteen een meer beredeneerde draai.

Dat neemt echter niet weg dat hier glorieuze, bij het nekvel grijpende momenten te rapen vallen, die nog maar eens benadrukken wat een uitzonderlijke positie Jones inneemt. Composities als de machtige opener 'The Enjoli Moon', 'The Fagley Blues' en 'You Have Me Seeing Red' zijn niet te verwarren met andermans werk. Ook al gaat eerstgenoemde track van start met fragiele pianoaanzetten, het is al snel het indringende saxwerk van Jones dat een draai aan het geheel geeft. Of in geval van 'The Fagley Blues' opnieuw getuigt van een eigenzinnig gevoel voor timing, waarbij een duidelijk metrum steeds genegeerd lijkt te worden en ook nog eens benadrukt wordt door Smith's vrije vormritmes en Dunns meer gestroomlijnde spel.

Zoals vanouds wordt ook mooi gespeeld met contrasten. Zo krijgt het kortste stuk, het speels springerige 'Winkie' (een compositie die volledig klinkt zoals de titel doet vermoeden), een knappe tegenhanger in het daarop volgende 'Be Patient With Me'. Dat laatste nummer lijkt vaag te verwijzen naar 'Forgive Me' van het debuutalbum en laat Jones op zijn meest emotioneel horen, met intens instinct en schreeuwerige uithalen.

Die bijzonder sterke eerste albumhelft krijgt niet datzelfde vervolg in de tweede helft. Daar kent het struikelende 'My Baby' naast enkele abrupte uitbarstingen ook een paar momenten waarbij de spanning een beetje zoek is, en zorgt de ballade 'So Sad' ervoor dat het album een beetje gaat aanslepen naar het einde. Dat 'Book Of Mæ’bul' een stuk langer duurt dan zijn voorgangers heeft daar misschien ook toe bijgedragen.

De enige échte opmerking die er te geven valt, gaat over afsluiter 'Roosevelt', waarmee teruggegrepen wordt naar het korte stuk dat de trilogie voor geopend verklaarde. Na een bonkende versie van het stuk, die de trieste breekbaarheid van het originele vervangt door een donker zwalpende wrangheid, gaat het kwartet immers over tot een (eerste echte) vrije improvisatie, waarbij vooral de nadruk op kleine geluiden gelegd wordt. Het had vast meer effect gehad als dit stuk opgenomen was in de buik van de plaat, want door het wat eenzaam achteraan te plaatsen en ook nog eens af te ronden via een fade-out van anderhalve minuut gaat veel van het effect verloren.

Dat puntje van kritiek kan echter niet voorkomen dat 'Book Of Mæ’bul' het uitstekende slotdeel van een trilogie is waar de jazzwereld op geregelde tijdstippen nog de mond van vol zal hebben. Het gebeurt immers zelden dat een jonge artiest zo zelfzeker en met zo'n unieke stijl aan de startmeet verschijnt. Wat een droomstart! Geen idee wat ons nu te wachten staat, maar we hebben er alle vertrouwen in dat het in orde komt. Darius Jones is een kanon van het heden en de toekomst.

Deze recensie verscheen eerder op Goddeau.com

Meer horen?
Klik
hier voor geluidsfragmenten van 'The Enjoli Moon', 'Winkie', 'Be Patient With Me' en 'My Baby'.

Labels:

(Guy Peters, 16.4.12) - [print] - [naar boven]





In memoriam
Hal McKusick


Op 87-jarige leeftijd is saxofonist, componist en arrangeur Hal McKusick op 10 april 2012 overleden. Gedurende zijn leven was hij vooral gedurende de veertiger en vijftiger een zeer gewaardeerd en veelgevraagd West-Coast musicus, doch voor het grote jazzpubliek is hij een grote onbekende gebleven.

Hij startte zijn carrière in de bigbands van onder meer Les Brown, Buddy Rich en Neal Hefti. Sindsdien werkte hij regelmatig als sectiemuzikant in befaamde bigbands en deed hij veel studiowerk. In de jaren vijftig verschenen onder eigen naam een tiental opnamen, waaronder 'Jazz Herritage' met Art Farmer op MCA, 'The Jazz Workshop' op RCA en 'Cross Section: Saxes' op Decca.

In de latere jaren geeft hij saxofoonles. Hij is freelance musicus, werkt als piloot en opent zelfs een antiekwinkel.

Meer weten?
Klik
hier voor een reeds eerder verschenen profiel van McKusick en hier voor een artikel van de Amerikaanse jazzblogger Marc Myers.

Labels:

(Jacques Los, 14.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Zo speelt men piano

Jef Neve solo, zaterdag 31 maart 2012, USVA Theater, Groningen

Een joviale gast, Jef Neve. Gentenaar, hè. Dat kon je vaststellen tijdens de nazit, maar ook in zijn aankondigingen slaagde hij erin, een directe, informele band met zijn luisteraars aan te gaan. Van alle gespeelde stukken kregen we de achtergronden te horen. Waarbij de muziek zelf overigens een uiterst serieuze zaak bleef. Zo vertelde hij dat de melodie van zijn compositie 'Second Love' binnenkwam vlak voor een uitvoering van 'Rhapsody In Blue', met een groot strijkorkest. Het hele concert door had hij zodoende Gershwins opus en zijn eigen boreling gelijktijdig in het hoofd. En je hoort het: in het begin van 'Second Love' duiken subtiele, kortstondige referenties aan en variaties op de 'Rhapsody' op.

Neve is een lyricus. Zijn ballads bezitten een Bill Evans-achtige introspectie. Maar de pastorale sfeer wordt doorsneden door dwingende repeterende motiefjes, zijn handelsmerk, waarbij zijn toucher, en daarmee de dynamiek, de belangrijkste troef is.

'Spring Begins' lijkt een cynische titel voor een compositie die ontstond naar aanleiding van de televisiebeelden van de Amerikaanse aanval op Bagdad (die groene nachtbeelden van het bombardement). Het begin van een jarenlange nachtmerrie – maar uiteindelijk weet Neve er toch een positieve boodschap in te leggen. Ook in 'Blame It On My Youth' balanceert de pianist tussen verstilling en stemverheffing. Daarbij kleurt hij zijn frasen subtiel bij met pasteltinten die hij rechtstreeks uit het binnenwerk aait. Zo speelt men piano.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Willem Schwertmann.

Labels:

(Eddy Determeyer, 13.4.12) - [print] - [naar boven]





Nieuws
Craig Taborn wint Paul Acket Award


De Amerikaanse pianist en componist Craig Taborn krijgt dit jaar de Paul Acket Award. Dat gebeurt tijdens het North Sea Jazz Festival, begin juli in Rotterdam, aldus de festivalorganisatie donderdag. Met de jaarlijkse uitreiking van deze prijs wil North Sea Jazz aandacht geven aan getalenteerde jazzmuzikanten die aan het begin van hun carrière staan en nog niet bekend zijn bij het grote publiek.

Taborn krijgt de prijs omdat hij met zijn spel een verbinding legt van jazz naar hedendaagse muziek. Hij interpreteert jazz in een zeer brede zin van het woord en heeft in het verleden ook al met technoproducers samengewerkt, aldus de organisatie.

De prijs bestaat uit een trofee en een cheque ter waarde van 5.000 euro, bedoeld om de carrière van de winnaar te versterken.

Bron: ANP

Labels:

(Maarten van de Ven, 13.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Natalio Sued, Rafael Vanoli, Gerri Jäger - 'Opositor' (Trytone, 2011)

Opname: januari 2009

Liefhebbers van de ongeborstelde muziek van Knalpot zullen hier wellicht even moeten slikken en met de oren klapperen. Want het duo Vanoli-Jäger fungeert hier als de begeleiders van de Argentijnse rietblazer Natalio Sued en kwijt zich heel netjes van zijn taak. Ergo: geen oorverdovende explosies, gemene flitsen of stofwolken, maar muziek die over het algemeen keurig binnen de lijntjes blijft. Wat heet – in 'Walking To Brooklyn', het meest jazzy thema van de cd, wordt de muziek zelfs gelezen!

'Do, Dici?', het openingsnummer, begint vredig als een wandeling langs een boerensloot. Goed, hier en daar moet er over een stroompje gesprongen worden en er zit ook een stukkie joggen bij, maar het is allemaal goed bij te benen.

Daarmee is de toon gezet. Want al wordt er in een nummer als 'Dialogues' op z'n Knalpots gas gegeven, even verder is de stemming toch weer elegisch. Bijzonder fraai is Sueds klarinetgeluid, dat in zijn warmte, puurheid en bedachtzaamheid aan oudere meesters als Tony Scott en Michael Moore, die vooral, refereert. Het contrasteert in ieder geval voorbeeldig met de gekartelde Knalpotsound en, meer in het bijzonder, met het discontinue drummen van Gerri Jäger. Die laatste excelleert met klein, intiem ritselwerk in het (nachtelijke?) 'Paisajes Argentinos'.

Meer horen?
Klik
hier om te luisteren naar een track van dit album: 'Dialogues'.

Labels:

(Eddy Determeyer, 13.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Craig Taborn Trio, een set met een sterk verhaal

donderdag 29 maart 2012, CC Maasmechelen

Craig Taborn is een muzikale duizendpoot. Speelt piano, orgel, Moog-synthesizer en blijft qua genre allesbehalve hangen bij traditionele jazz. Hij maakt verbindingen met andere genres en stijlen en experimenteert eveneens met techno en ambient. Hij doet er alles aan om niet ingekapseld te worden in een bepaalde stijl, maar slaagt erin om via zijn improvisaties een melange te brengen van indrukken die aan het eind van de set toch een eenheid vormen.

Zijn eerste soloalbum 'Avenging Angel' verscheen op ECM in april 2011. Vanavond kwam kwam deze veelzijdige pianist naar CC Maasmechelen met Gerald Cleaver op drums en Thomas Morgan op bas. Het werd een aaneengesloten set met een sterke opbouw met veel repetitieve elementen. Deze klinken aanvankelijk wat monotoon, maar naarmate de set vordert krijgen ze hun volle betekenis. Veel composities zijn uitgeschreven, wat een paar nieuwsgierigen uit het publiek na de set naar het podium lokt, om een glimp op te vangen van de partituur met deze eigenzinnige pianotaal.

Vanaf het begin bouwt Taborn een veelzijdige spanning op. Het plukken van enkele snaren door Morgan en het zachte tromgeroffel van Cleaver krijgen bijval van de toetsenist die met de rechterhand korte en krachtige sprongen maakt en akkoorden laat huppelen, omhoog en omlaag binnen eenzelfde spectrum. De spanning neemt toe bij bas en drums door het toepassen van wisselende maatsoorten en herhalende ritmes, tot drums en piano outfaden en de bassist ruimte krijgt om iets nieuws op te starten.

Wat opvalt bij Taborn is de onafhankelijkheid van linker- en rechterhand. Dit vermogen stelt hem in staat beide handen vaak afzonderlijk te laten spreken. Soms heeft de linkerhand vooral een ritmische rol en scandeert rechts hierop rake akkoorden. Of links laat snaren in het binnenste van de vleugel trillen en rechts beantwoordt met een paar minimalistische akkoorden op het klavier. Vaak beveelt de linkerhand het retarderen of accelereren van het tempo in het trio. Maar plots kan de communicatie tussen beide handen ook omslaan in een wervelende samenwerking, waarbij het pianospel in een stroomversnelling komt, en Morgan en Cleaver worden meegevoerd door complexe ritmes. Dan zorgen ze gedrieën voor intense spanningsbogen of wordt men verrast door een plotse stop.

Als de muzikanten elkaar vinden in spannende interacties en improvisaties gaat het er soms zelfs nostalgisch swingend aan toe. Vooral Cleaver weet dan het repetitieve ritme van Taborn perfect om te zetten in een kadans die dezelfde lijn blijft volgen, daarbij soms heftig alternerend van de ene schijf naar de andere. Binnen deze set krijgen Cleaver en Morgan ook alle ruimte met solo's hun talenten te etaleren. Kortom, een set met een boeiend verhaal door een trio met improvisaties van hoog allooi, zowel qua kunde als uitvoering.

Klik hier voor foto's van dit concert door Cees van de Ven.

Labels:

(Gerda Boel, 12.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Millennium Jazz Orchestra – 'Distrust All Rules' (eigen beheer, 2011)


Het Millennium Jazz Orchestra heeft zich ontwikkeld van een formatie die in de bigbandtraditie speelde tot een orkest dat uitsluitend concertmuziek produceert. 'Distrust All Rules' bevat muziek van de pen van arrangeur (en trombonist) Henri Gerrits, die al van de partij was toen het orkest nog bekend stond als de Big Barchem Band. Gerrits zou je in de lijn Stan Kenton-Bob Brookmeyer kunnen plaatsen. Hij onderscheidt zich door zijn subtiele kleurgebruik en de zorgvuldigheid waarmee de partijen in elkaar zijn gezet. Een zekere neiging tot bombast is hem daarbij niet vreemd.

Het meest pregnante voorbeeld van zijn picturale kunnen vinden we, paradoxaal genoeg, in de enige standard van de plaat. 'The Very Thought Of You' wordt gekenmerkt door schitterende, bijna niet waarneembare verschuivingen en nuanceringen. Elders lijkt de cd een puur heidens plezierritueel, een feest van carnavalsgangers en damschreeuwers. Het stuk 'B-Tango' heeft nog minder met gangbare tangomuziek van doen dan de verrichtingen van de Piazolla-school, maar wordt gekarakteriseerd door een fraaie opbouw van dynamiek en spanning. En zo bevat '@Starlight' slechts een miniem snufje 'Stella'; daarentegen hebben de riffs hier iets vertrouwds, zonder dat je er precies je vinger op kunt leggen.

Labels:

(Eddy Determeyer, 12.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Passies blijven goeddeels onderhuids

Trio Dino Saluzzi/Anja Lechner/Felix Saluzzi, zaterdag 24 maart 2012, Paradox, Tilburg

Het mooie aan de programmering van jazzpodia, zoals Paradox, is de enorme variatie aan muzikale belevenissen per seizoen. Deze week zelfs in extremis. De zaal toont daags voor het optreden van Dino Saluzzi, bij de onstuimige jam van de groep Rudder, nog zwart van het volk door het massaal toegestroomde jonge jazzpubliek. Op deze avond, bij de uitgeschreven en milde muziek van de bandoneonlegende, is het wederom stijf uitverkocht, maar dit keer met veel oudere jongeren. Van meet af aan is duidelijk dat de leden van het trio een langdurige samenwerkingsrelatie met elkaar onderhouden. Saxofonist Felix Saluzzi voelt van nature aan welke kant zijn broer met de muziek op wil gaan. De band met de in Duitsland geboren cellist Anja Lechner is bijna even intens. De onderlinge samenwerking is al in 1998 begonnen in het Rosamunde Quartet.

Het Dino Saluzzi Trio brengt, in een zeer kort optreden, gelijkmatige muziek waarin Argentijnse folkloristische traditie samenvloeit met klassieke constructies. Naast zijn delicate, melancholieke spel probeert de zichtbaar vermoeide Dino Saluzzi, nauwelijks verstaanbaar in woord en gebaar, de verschillende stijlen van het bandoneonspel toe te lichten. Ondanks zijn innemendheid blijkt dit vergeefse moeite. De uitzonderlijk lange balg van het instrument wordt door menig bespeler op de knie 'gebroken' om zeer felle accenten te krijgen. Deze techniek wordt door Saluzzi nauwelijks gebruikt. Zijn spel, de spaarzame toevoegingen van de saxofonist/klarinettist en het empathische samenspel met Lechner moeten het hebben van de onderhuidse geladenheid.

De vervlechting van de door lucht aangedreven bandoneon en de snaren van de cello zorgen voor één unieke stem. De muziek is ontegenzeggelijk mooi, maar wordt gedragen door (te) kleine nuances en het zoete, soulvolle geluid van de bandoneon kent een statig en voorspelbaar tempo. De spontane interacties blijven uit, waardoor de zorgvuldig gekoesterde geheimen, angsten en verlangens, die het onherbergzame landelijke Argentinië in zich draagt, voor een belangrijk deel verborgen blijven. Geen pieken of dalen, maar een constante rust, die misschien wel niet meer past in deze tijd.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Cees van de Ven.

Labels:

(Louis Obbens, 11.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Misha Mengelberg/Piet Noordijk Quartet – 'Journey' (MCN, 2011)

Opname: 7 april 1966

Het kwartet van Misha Mengelberg en Piet Noordijk, met Han Bennink op drums en Rob Langereis op bas, wordt terecht gezien als een van de mijlpalen in de ontwikkeling van de Nederlandse jazz. Zeker op deze, relatief late, opnamen is het goed te horen hoe deze band op het randje van een aantal belangrijke ontwikkelingen in de muziek staat.

Ook voor jazz waren de jaren zestig een woelige periode van bewustwording en waar in Amerika vooral rassenproblematiek het onderwerp van de muziek was, keerden veel Europese muzikanten zich langzaam af van de dominantie van het bebop-model om een meer Europese stijl te ontwikkelen. Mengelberg en Bennink zouden twee van de voornaamste architecten van deze stijl worden, terwijl Noordijk en de verschillende bassisten die het kwartet in de loop der tijd versleet zich zouden ontwikkelen tot meesters in een meer traditioneel idioom. Deze verschillen in richting zouden uiteindelijk zorgen voor het uiteenvallen van het kwartet, dat helaas maar zelden is opgenomen. De hier gepresenteerde archiefopnamen (de vijfde cd in de reeks Jazz at the Concertgebouw) zijn met recht historisch te noemen.

Alle vijf stukken die hier gepresenteerd worden, zijn afkomstig uit de pen van Misha Mengelberg. Diens fascinatie voor Thelonious Monk is vooral in het speelse 'Driekusman Total Loss' duidelijk te horen in de asymmetrische compositie, die gebaseerd is op Gershwins 'I’ve Got Rhythm' en een podium is voor Noordijks uitstekende techniek. Net als twee jaar eerder, toen een vrijwel identieke ritmesectie opnamen maakte met Eric Dolphy, is Mengelberg als begeleider meer geïnteresseerd in het weglaten van noten en het uitdelen van plaagstootjes dan in het aan de hand nemen van de solist.

Van uitermate hoog niveau is ook het titelnummer, dat duidelijker dan ooit de spanningsvelden tussen de muzikanten laat horen. Een groot aantal tempowisselingen en verschillende texturen, met name uit de koker van Mengelberg en Bennink, wordt vakkundig door Noordijk gepareerd. Wanneer na vijf minuten van experiment door de ritmesectie de altsax weer inzet, is het gevoel van bevrijding bij Noordijk voelbaar. Juist doordat hier een creatief meningsverschil aan het ontstaan was, speelt de altist de sterren van de hemel.

Op de laatste twee nummers speelt Ted Curson, lange tijd de trompettist van Charles Mingus, mee met het kwartet. Curson, de meest traditionele muzikant in de Mingus-band van de jaren zestig, past uitstekend in de groep en is een logische gastsolist; een andere Minugus-alumnus, Eric Dolphy, had immers ook met groot succes met Mengelberg en Bennink gespeeld. Cursons bijdragen op 'Sugar ’N’ Spice' en 'The Leopard' zijn echter minder memorabel dan die van de andere bandleden.

Het is zeer interessant om met de kennis van nu naar deze muziek te luisteren. Wie bijvoorbeeld deze opname van 'The Leopard' vergelijkt met recente opnamen van het ICP Orchestra, zal verbaasd staan over de verschillen en overeenkomsten in beide opnamen. En wie de reünie-opnamen ter ere van Noordijks 75 verjaardag gehoord heeft, zal na het beluisteren van deze opnamen moeten toegeven dat de chemie tussen de muzikanten nooit echt minder is geworden. Het is juist om dit speculatieve plezier dat 'Journey' tot de beste uitgaven van het MCN en de belangrijkste documenten in de Nederlandse jazz behoort.

Labels:

(Sybren Renema, 10.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Ontmoetingen in het kielzog van Hendrix

Rapier, zondag 25 maart 2012, Buckshot, Groningen

Het is natuurlijk geen nieuw concept, een beetje op min of meer bekende vamps jammen en kijken wat eruit komt. Vaak komt daar dan weinig meer uit dan een of twee voortsudderende en –modderende solo's plus wat geijkte collectiefjes. Niet als je Peter Tiehuis, Frans van der Hoeven en Arno Nieuwenhuize heet, evenwel. Als je die bij elkaar zet levert dat mooie ontmoetingen en doorkijkjes op rare weggetjes op.

'When jazz meets Hendrix' werft het trio Rapier op de lichtbak van Buckshot en inderdaad gaat het drietal verder waar de betreurde Jimi Hendrix afnokte. Hij, Hendrix, zou aan arrangeur Gil Evans en trompettissimo Miles Davis gekoppeld worden, maar dat heeft dus niet meer zo mogen zijn. Stel je voor dat het gitaaricoon een bassist als Frans van der Hoeven tot zijn beschikking had gehad, met net zo'n ongebreidelde techniek en ingebouwde funk, zo'n gast die als dat zo uitkomt het verlengstuk van je gitaar wordt en die tegelijkertijd met achteloos gemak een synthesizer bestiert.

Schijnbaar freewheelend kwamen de muzikanten elkaar dan 'toevallig' tegen, waarbij de mogelijkheden van de knopjes en de pedalen voor telkens wisselende sferen en klankschappen zorgden. Na de pauze kregen we zo een gezamenlijke snarenzang op een bedje van bekkens voorgeschoteld.

De vaak gelaakte akoestiek van Buckshot viel deze keer goed uit. Met name in de ballads vormde het gemompel aan de bar en de weerkaatsing daarvan een aangename bourdontoon.

Labels:

(Eddy Determeyer, 9.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Gizmo! - 'Introducing Gizmo!' (eigen beheer, 2011)


Dit is niet niks. Om te beginnen is deze cd onopvallend mooi vormgegeven: eenvoudig, maar evenwichtig, consequent en smaakvol. Dat zijn karakteristieken die ook op de muziek zelf van toepassing zijn. Gizmo! speelt in de jonge poppy jazztraditie die ontstaan is na, zeg, Michiel Borstlap. Er is goed over nagedacht. Alleen al de 'Curtain Calls' waarmee de plaat wordt geopend en afgesloten: chique! Terugkerend thema is de pauw, de peacock. In 'A Peacock In Rodrigo’s Bass' is de beweging van het dier mooi gevangen. Een soundtrack voor een animatiefilm, zoiets.

Ook 'Blues For Leonard' lijkt zich te ontvouwen als een pauwenstaart. Leonard slaat vermoedelijk op Lenny Bernstein, getuige de fragmenten uit 'Westside Story' ('Something’s Coming') die voorbij komen stappen. Hm, Bernstein als pauw? Kan ik me wel wat bij voorstellen, eerlijk gezegd.

Gizmo! is ook niet vies van repetitieve muziek. Edwin Berg, die ik ervan verdenk, de pavo primus inter pares te zijn, hamert in 'The Power Of Now!' een minimaal muziekje uit de piano, dat vervolgens door gitaar, bas en drums wordt opgetuigd, zodat het geen moment de gelegenheid krijgt echt te gaan vervelen. In 'Lalabyebye – Come To Neverland' is iets dergelijks aan de hand. Alleen barst hier halverwege een koortje in opgewekte lokzang uit, wat dan weer overgaat in vrijvormige gitaarexercities, waaruit je zou kunnen opmaken dat Guilhermo Celano goede maatjes is met Anton Goudsmit. Daarentegen klinkt 'Gizmo’s Retreat' alsof het in de studio bij elkaar is gepingeld; moet je horen, dit akkoord zó en dan dat akkoord zó en dan zo verder, bedenk maar wat, weetjewel.

Meer horen?
Op de
Facebook-pagina van Gizmo! kun je dit album beluisteren.

Labels:

(Eddy Determeyer, 9.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Rudder, band met ballen

vrijdag 23 maart 2012, Paradox, Tilburg

Vier New Yorkse topmuzikanten op het enige Nederlandse podium in hun Europese toer: Rudder overtrof alle verwachtingen. Wie op zoek was naar melodieuze standards of tranentrekkende ballads kwam bedrogen uit. Want voor een uurtje of twee sidderde de grond van het uitverkochte Tilburgse jazzpodium onder een stevige portie zogenaamde grunge-jazz. Althans dat is hoe ze hun eigen sound betitelen. In de praktijk kwam dat neer op snel wisselende korte lijnen van robuuste funk, stevige rockritmes en rauwe jazzelementen.

Rudder doet zijn naam eer aan, want het likt aan verschillende muziekstijlen maar vaart een eigen route, wars van allerlei limitatieve regels. Drummer Keith Carlock spande de kroon met zijn dynamische spel. Monden vielen open van verbazing door zijn inventieve slagwerk, gekenmerkt door kunstige patronen en ingewikkelde riffs. Bedreven, krachtig en vooral onvermoeibaar. Samen met bassist Tim Lefebvre vormde hij de voortdenderende motor van de groep, als een intens pulserend hart. Het was ook Lefebvre die met simpel ogende, rollende basloops inspeelde op het dwingende ritmegeweld van Carlock en balans wist te brengen in de kern van de ritmes.

En wie nu denkt dat er alleen bot geweld aan te pas kwam? Nou nee, de nuance was er ook. Bijzondere melodielijnen, soms betrekkelijk eenvoudig, maar ook ruig en doordringend, kenmerkten het bandgeluid. Ze werden aangereikt door saxofonist Chris Cheek en toetsenman Henry Hey. Uit de laptop en synthesizer van Hey kwamen naast duistere underground-geluiden ook Hammond- en Rhodes-klanken voorbij, waardoor een symfonische dimensie ontstond. En om helemaal in de tijdgeest te blijven, ook Cheek gebruikte op zijn sax veel effecten. Een akoestisch saxgeluid was vrijwel nergens te horen. Wel eens een elektrische gitaarsolo op een tenorsax gehoord? Cheek presteerde het.

De stomende arrangementen leken al momento te ontstaan en de interactie bepaalde voor een groot deel het speelplezier on stage. De heren Lefebvre en Hey voerden regelmatig een kletspraatje tijdens het spelen en hadden samen de grootste lol.
Al met al: ja, Rudder is een band met ballen, maar een 'mannenband'..., welnee, dat is het zeer zeker niet!

Klik hier voor foto's van dit concert door Louis Obbens.

Labels:

(Donata van de Ven, 7.4.12) - [print] - [naar boven]





Vooruitblik
Gent Jazz 2012


Van donderdag 5 tot en met zaterdag 14 juli vindt op de Bijlokesite het Gent Jazz Festival plaats. Deze elfde editie heeft weer een aantal absolute smaakmakers op het programma staan, zoals het Brad Mehldau Trio, Jim Hall & Scott Colley, het Dave Douglas-Joe Lovano Quintet, The Bad Plus feat. Joshua Redman en als klapper op de vuurpijl het Wayne Shorter Quartet.

Ook de nieuwe generatie komt aan bod met namen als Miguel Zenón, Ninety Miles, Igor Gehenot en Liesa Van der Aa. Achter de schermen werkt het festival voorts aan begeleidingstrajecten van zowel Belgische als internationale toptalenten. In dat kader stelt Gent Jazz dit jaar Robin Verheyen en Gretchen Parlato voor. Studenten van het Koninklijk Conservatorium Gent (KASK – School of Arts) zullen een project rond de muziek van Shorter uitwerken onder de titel 'Combo 42'.

Wat het popgedeelte van Gent Jazz betreft, kondigde de organisatie alvast de namen aan van Melody Gardot, D'Angelo en Gabriel Rios. Midweeks belooft Antony And The Johnsons en het Metropole Orkest een spannende combinatie te worden. Het programma voor donderdag 12 en zaterdag 14 juli zal later worden bekendgemaakt.

In de periferie van het festival brengt fotogalerie Flinxo 'Jazz en Fotografie', met werk van acht fotografen. Alle tentoongestelde foto's werden genomen op het Gent Jazz Festival tijdens de afgelopen tien jaar. Deze expositie toont een selectie van beelden van de hand van Jos Knaepen (de huisfotograaf van Gent Jazz), Tom Van Nuffel, Wouter Rawoens, Maarten Marchau, Christian Overdeput, Dominiek Dierick, Thomas Verfaille en last but not least onze eigen huisfotograaf Cees van de Ven.

Klik hier voor uitgebreide informatie over Gent Jazz 2012.

Labels:

(Maarten van de Ven, 7.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Frank Sinatra - 'Purely…' (Delta, 2008)

Opnamen: 1953-1957

Of ik deze dubbel-cd moet aanbevelen wanneer je toevallig - nou ja, toevallig - last hebt van liefdesverdriet weet ik niet. Ik bedoel, tegen de tijd dat we bij track 7 van cd nummer één zijn aangekomen, 'With Every Breath I Take', een liedje van verlangen dat ook al niet echt opgewekt is, wat hebben we dan reeds voor de kiezen gekregen? 'P.S. I Love You', 'Everything Happens To Me', 'It’s Easy To Remember' en 'Don’t Like Goodbyes'. Nou, dan ben je godverdomme al lang in je tranen de deur uitgedreven.

Frank Sinatra is hier volwassen geworden. In de liner notes wordt gerept van 1957, maar de eerste schijf bevat uitsluitend materiaal uit 1956, terwijl de tweede de periode 1953-57 beslaat. De topperiode van The Voice, wat mij betreft. Eerder, bij Columbia, had men getracht, Frankie's fenomenale jaren-veertig successen bij de bobbysoxers te prolongeren met teenybopper-gezever en tegen de R&B leunende songs. Met als nadir, inderdaad, 'Mama Will Bark' uit 1951, dat hooguit uit camp-oogpunt belangwekkend is.

Midden-jaren vijftig had hij alles meegemaakt. De lange tocht naar de top, de jaren van smeltende adoratie, de goot en de victorie van 'From Here to Eternity'. Gebleven was Sinatra's kwetsbaarheid, die ik als de belangrijkste factor beschouw van zijn triomfen bij het orkest van trombonist Tommy Dorsey en de jaren daarna, als soloartiest. Die kwetsbaarheid had mannelijke trekjes gekregen. Zijn stem was ook gegroeid. Voller, met een weergaloze timing en dictie en een kracht en een zuiverheid, die hij ook in de zachtste en moeilijkste passages vast wist te houden.

Vergeet de rest, vrienden, The Voice is nog altijd De Voorzitter.

Uiteraard was Nelson Riddle mede debet aan het succes. Zijn strijkkwartetten en –orkesten, al dan niet in combinatie met een eenzame hoorn of een complete bigband, geven cachet aan de Voice en laten die optimaal tot zijn recht komen.

Labels:

(Eddy Determeyer, 6.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Kleurrijke getuigenissen van Fondse

Testimoni: Martin Fondse & Eric Vloeimans feat. Matangi Quartet, dinsdag 20 maart, Philharmonie, Haarlem

Het programma 'Testimoni' is een verzameling stukken die Martin Fondse met Eric Vloeimans uitzocht voor een project met het Matangi-strijkkwartet. Fondse en Vloeimans zijn al jaren muzikale vrienden. Hoewel de strijkers geen soloruimte krijgen, zijn ze hier duidelijk meer dan alleen een drager voor de arrangementen, zoals helaas vaak in jazz-gerelateerde combinaties het geval is. Het theatercircuit - of misschien wel het grootste deel van het niet-popcircuit van Nederland - lijkt vooral te worden gefrequenteerd door vijftigplussers, zoals in de Kleine Zaal van de Haarlemse Philharmonie ook blijkt. Het lijkt erop dat jazzoptredens met een grotere exposure zich voor een steeds groter deel af beginnen te spelen in theaters waar uit gewoonte of door hogere entreeprijzen voornamelijk welgestelde oudere burgers komen.

De akoestiek van de voor tweederde gevulde Kleine Zaal is vrij droog, maar laat de klankdetails vrij goed horen. Zo zijn de instrumenten van het Matangi Quartet ook afzonderlijk te onderscheiden in het samenspel. Er wordt in tegenstelling tot op de andere podia van deze tournee één lange set gespeeld, die na afloop toch nog ruim meer dan anderhalf uur blijkt te duren. Het begint met 'Testimoni Interiori' ('innerlijke getuigenissen'), een suite van vier stukken die door Fondse specifiek voor deze bezetting werd geschreven. Het karakter van deze stukken is romantisch, ingetogen en kleurrijk.

In het elegante en rustige 'Aria Fresca Del Mattino' en het snellere, afwisselende 'Ronzio Del Pomeriggio' is Fondse alleen actief als dirigent. Hij is voor het eerst op de piano te horen in 'Colori Del Tramonti', een dromerig stuk met een opvallend kaleidoscopische klankkleur, en zijn afgewogen notenkeus is erg effectief. Ook in het langzame en qua dynamiek mooi opgebouwde 'Fruscio Della Notte' heeft Fondse een grotere rol als solist. In dit eerste deel van het concert domineert de combinatie van het 'stoffige' trompetgeluid van Vloeimans en de beweeglijke strijkerspartijen. Niet alleen de titels zijn Italiaans, ook de muziek roept associaties met dat land op.

In de twee stukken die deze avond 'Testimoni Exteriori' uitmaken – op de gelijknamige cd zijn het er zes - speelt de vibrandoneon van Fondse een hoofdrol. Het is een aangeblazen toetseninstrument zoals de melodica, maar met een houten kast en een bredere toon die erg aan een bandoneon doet denken. 'Never Before', een door Fondse bewerkt stuk van Vloeimans, is een bluesy ballad waarin de trompettist zich zeer expressief toont. In 'Floc De Neu', Catalaans voor 'sneeuwvlok', horen we noten inderdaad als dwarrelende sneeuwvlokken, die kennelijk ook wisselingen in de gemoedstoestand volgen.

'O Mar' (Portugees voor 'de zee'), een los stuk dat als einde van het concert is geprogrammmeerd, is een dramatisch klinkend thema dat tussendoor aan de steeds krachtiger opgezweepte golven van de zee doet denken. Daarin is ook een belangrijke rol voor Fondse als pianist weggelegd. De partijen van de strijkers zijn in deze laatste stukken overigens iets minder krachtig en kleurbepalend. Na een staande ovatie krijgen we de toegift, 'Lex', een pakkende ballad van Vloeimans, opgedragen aan Lex van Weerden, die als trompettist de concentratiekampen wist te overleven.

'Testimoni' laat ons vooral de serieuze kant van Fondse horen, evenals zijn grote affiniteit met de speelwijze van Vloeimans. Het Matangi Quartet heeft aan het einde van het concert vooral een dienende rol, maar is op zijn sterkst in de suite aan het begin, wanneer Fondse het een meer actieve rol toebedeelt. De cd is overigens ook van harte aanbevolen.

Labels:

(Ken Vos, 6.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Trio New York brengt duo Hammond/Leslie opnieuw in de kijker

Ellery Eskelin Trio New York, maandag 30 januari 2012, Wilhelmina, Eindhoven

De tijd, dat ik als kind met vader - vervangend organist - het koor opklom met dat grote kerkorgel in de Sint-Martinuskerk op Ekkergem, ligt al eventjes achter mij. Daar stond ik altijd met volle verwondering te kijken naar al die luchtpijpen die klanken, trillingen en geluiden voortbrachten. Maar de gulden combinatie waarbij het orgelgeluid van een Hammondorgel door een Lesliebox gestuurd wordt, had ik nog niet eerder gehoord. Fans rondom mij in Wilhelmina deelden enthousiast hun technische kennis hieromtrent. Hammond en Leslie, twee heren die elkaar niet konden luchten, maar wiens creatie heeft geleid tot een unieke combinatie.

In die sfeer groeide saxofonist Ellery Eskelin op, wiens moeder, Bobby Lee, Hammondorgel speelde en haar eigen jazzgroepen leidde. Eskelin vormde in 2011 het Trio New York met Gerald Cleaver (drums) en Hammond B3-speler Gary Versace, die vanavond speelt op een recenter model uit 1962, voorzien van 91 toonwielen.

Eskelin is een bijzondere verschijning met zijn ver op het achterhoofd geplaatste hoedje, balancerend van teen naar hiel, maar af en toe een beetje lucht tekort komend om zijn geluid kracht bij te zetten. Op het repertoire staan goed vermomde standards zoals 'Off Minor', 'How Deep Is The Ocean', 'After You’ve Gone', 'Witchcraft' en 'Flamingo'. Met zijn muzikale achtergrond maakt hij van deze standards eigenzinnige nieuwe versies. Vaak op de achtergrond, zonder egovertoon, blijft Eskelin spaarzaam met noten. En alhoewel hij bandleider is, maakt hij zich ondergeschikt aan het totaalbeeld en geeft alle ruimte voor het spel van zijn medemuzikanten. In improvisaties zoekt hij voortdurend naar fraaie lijnen met daarbij de juiste klankkleur.

Even uniek als de combinatie Hammond/Leslie is ook de man achter dit orgel, Gary Versace. Alleen al zijn lichaamstaal verraadt zijn volle overgave en toewijding voor dit instrument. Met gesloten ogen en het ritme grimassend met zijn mond, geeft hij zijn handen en voeten de vrije loop. De arpeggio's gieren over het klavier. Versace speelt vaak met een pulserende groove, waarop Eskelin kan meanderen met melodieus spel. Extreem gierend Hammondspel krijgen we niet te horen. Het volume houdt hij binnen de perken, waardoor dat typische lekker ruige randje van de Hammond soms wel ontbreekt. Groot is zijn technische bagage en met zijn voetenwerk speelt hij de baslijnen, waarbij de variatie in tempi vaak voor een extra muzikale dimensie zorgen. Soms brengt hij ons in hogere sferen, al kan hij ook een kakelend gevecht aangaan met Eskelin, zoals we horen in 'How Deep Is The Ocean'.

Naast Eskelin en Versace is Gerald Cleaver een al even meesterlijke verschijning op dit podium vanavond. De drummer oogt de rust zelve, maar schijn bedriegt. Hij straalt kracht en energie uit, is alert en attent en weet onbewogen het vuurtje flink aan te wakkeren met repeterende ritmes. Na de pauze amuseren Versace en Cleaver zich met muzikale plagerijen achter de rug van Eskelin. Bij het nummer 'After You’ve Gone' start Versace met één toon die hij laat doorklinken en die overgenomen wordt door Cleaver. Die geeft daarop met rake accenten een beetje overdreven steun aan de saxofonist, wat hen samen aan het lachen brengt. Ook in het nummer 'Witchcraft', in duet van saxofoon en drums, zet Cleaver zodra Eskelin stopt met spelen zijn aanhoudende grooves door op de baslijnen van de Hammondpartij, om te eindigen met een vette drumsolo. Dit trio levert het bewijs dat de Hammond wederom trendy is. Het zal 'Hammond-goeroe' Herbert Noord zeker deugd doen.

Klik hier voor foto's van dit concert door Cees van de Ven.

Labels:

(Gerda Boel, 5.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
Jason Adasiewicz's Sun Rooms - 'Spacer' (Delmark, 2011)

Opname: januari-februari 2011

De jazzscene van Chicago heeft wat weg van een commune. Van die indruk kan men zich de laatste jaren niet ontdoen, aangezien steeds weer dezelfde musici er in nieuwe combinaties met elkaar gaan samenwerken. Een mooi voorbeeld is het in 2009 ten tonele verschenen trio Sun Rooms van vibrafonist Jason Adasiewicz, waarin met bassist Nate McBride en drummer Mike Reed alweer enkele vertrouwde Chicagoans meespelen. 'Spacer' is al het tweede album van de groep op goed een jaar tijd.

Het titelloze debuut van Sun Rooms verscheen eind 2010 op Delmark en werd geprezen door enkele gerespecteerde jazzcritici, waaronder Ben Ratliff van The New York Times. Het inspireerde Adasiewicz tot het schrijven van nieuw repertoire, dat in mei van 2011 werd uitgewerkt tijdens een wekenlange residentie in een bar in Chicago en daarna werd opgenomen. Het resultaat draagt de titel 'Spacer' en bestaat uit tien stukken, de meeste van de hand van de vibrafonist, maar ook eentje van McBride en een compositie van Eric Boeren, de Nederlandse cornettist waarmee Adasiewicz enkele jaren geleden door Europa tourde.

Een trio van vibrafoon, bas en drums is geen voor de hand liggende bezetting, het veronderstelt een voorname rol voor eerstgenoemd instrument en dat in elk mogelijk opzicht. Het verschil met Rolldown, het kwintet waarmee Adasiewicz in 2008 en 2009 reeds twee albums uitbracht, is daarom groot. In Rolldown heeft de 34-jarige vibrafonist nog twee blazers naast zich in de frontlinie, in Sun Rooms staat hij er alleen voor. Ook muzikaal zijn er verschillen, want het repertoire van dit trio is veel rustiger, klassieker ook. Swing, walking bass en ballads zijn allemaal trefwoorden die voor deze plaat van toepassing zijn, hoewel Adasiewicz zich daarmee niet bedient van clichés.

De trage stukken op 'Spacer' maken het meest indruk, wat een gevolg is van de techniek van de vibrafonist. Met vier mallets (twee in elke hand) en opvallend pedaalwerk creëert hij brede en rijke partijen, die het best tot hun recht komen in een context met voldoende ruimte. 'Pillow' en het onweerstaanbaar mooie 'Bobbie' (van Eric Boeren) zijn wat dat betreft hoogtepunten, die aantonen dat Adasiewicz graag stapelt en bouwt met lang nagalmende tonen. Dat heeft ook invloed op zijn solo's, die hij met deze aangehouden klanken van extra begeleiding voorziet.

Tracks waarin Adasiewicz zich meer afgetekend tegenover de ritmesectie plaatst, zijn minder spannend. McBride en Reed houden de groove er altijd in, maar kunnen niet voorkomen dat een stuk als 'Run Fly' na een tijdje gaat vervelen. Compositorisch werden hiervoor nochtans maatregelen getroffen. Zo krijgen bas en drums opvallend veel tempowisselingen opgelegd en worden veel gezamenlijke metrische accenten geplaatst, allemaal ingrepen die voor meer animo moeten zorgen.

Sun Rooms slaagt er zo regelmatig in op hoog niveau te musiceren en origineel uit de hoek te komen. De spoeling is echter dun wat afwisseling betreft. Adasiewicz overtuigt de luisteraar ook niet overal van het belang of de relevantie van zijn instrument in een bovengeschikte rol. Op 'Spacer' kreunt de vibrafoon dan ook onder het gewicht van het kopmanschap, maar begeeft - als puntje bij paaltje komt - net niet.

Deze recensie verscheen eerder op Kwadratuur.be

Labels:

(Joachim Ceulemans, 4.4.12) - [print] - [naar boven]



Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Jazztube
'Het Fluisteren van Eric Vloeimans'


De internationaal bekende jazztrompettist Eric Vloeimans werd twee jaar lang gevolgd door de Rotterdamse regisseur Jan Louter. Het resultaat was onlangs te zien bij 'Het Uur van de Wolf' (NTR) op Nederland 2. Deze aflevering van The Jazztube geeft je de gelegenheid om het programma alsnog (of nogmaals) te bekijken.

De documentaire - of beter gezegd korte film - is alleen al vanwege de prachtig geënsceneerde beelden de moeite waard om te bekijken. De internationaal bekende trompettist Vloeimans is een echte vakman, van vele markten thuis, en een die zich niet graag in een hokje laat stoppen. Hij begeeft zich bijna moeiteloos in verschillende muzikale werelden: van de improvisatiejazz tot de klassieke muziek. Als persoon wijkt hij bovendien af van het traditionele plaatje dat bestaat van de trompettist; hij kleedt zich kleurrijk, is ijdel en noemt zijn trompet oneerbiedig 'toeter'. Zeer de moeite waard om even voor te gaan zitten. Juist ook als je geen overtuigd jazzliefhebber bent, is het mooi om te zien en horen hoe hij komt tot zijn, door vakgenoten geprezen, fluistertoon.

In de documentaire 'Het Fluisteren van Eric Vloeimans' ziet de kijker de trompettist voor en achter de schermen van vele repetities en optredens. In het Concertgebouw speelt hij - begeleid door het Metropole Orkest - een sensueel duet met de sopraan Claron McFadden. Op het Oerol Festival gaat hij los tijdens een concert met Kyteman. En met pianist Florian Weber valt de meer melancholische kant van zijn persoonlijkheid te horen. "Optreden is een kick, het is het mooiste wat er is, het is een staat van zijn waarin je alles vergeet."

Klik op de afbeelding linksboven om deze Jazztube te bekijken.

Labels:

(Christel de Krosse, 4.4.12) - [print] - [naar boven]





Concert
Bassist Tony Marino openbaring

Dave Liebman-Ellery Eskelin Quartet, dinsdag 20 maart 2012, Grand Theatre, Groningen

Twee tenoren plus een ritmesectie – dat riekt naar ouderwetse battle-praktijken. Niets van dat alles bij Dave Liebman en Ellery Eskelin. Integendeel. Wanneer beide saxofonisten gezamenlijk aan het woord zijn, tijdens het uiteenzetten van een thema bijvoorbeeld, is het eerder een kwestie van elkaar nauwkeurig volgen. Van schaduwen, contouren aanbrengen. Elkaar vliegen afvangen is er niet bij.

Maar goed, als we dan toch in historische termen denken, komen Lester Young en Herschel Evans al gauw in beeld. Met zijn gladgeslepen geluid is Eskelin dan de Prez, Liebman met zijn van boventonen verzadigde sound Evans. Daarmee houdt de vergelijking overigens op. Want Lieb is in werkelijkheid een van de meest overtuigende post-Coltranisten, de man die scepter en mantel mag dragen.

In dit kwartet zijn alle muzikanten gelijkwaardig. De gefragmenteerd, doch melodieus drummende Jim Black bewees helemaal geen tenorsaxofoon nodig te hebben; met een strijkstok langs de snaartrommel produceerde hij een geluid dat griezelig dicht in de buurt kwam van Liebmans toeter. Het is een feest deze slagwerker aan het werk te zien. Hij lijkt voortdurend bezig om bestaande ritmestructuren te vervangen door net even andere grooves. In 'Ghosts' gingen zijn Sunny Murray-achtige slagregens over in een levensgrote funky tyfoon.

De meeste indruk maakte bassist Tony Marino. Zijn taak was niet zozeer een solide vloer onder de muziek te leggen alswel het voegwerk te onderhouden. Daarbij echode hij soms de lijnen van de blazers. Zijn zangerige stijl accentueerde hij met flageoletten die hij met zijn lange, lange vingers uit zijn snaren schoof. In de hals van zijn bas onthulde hij een compleet extra instrument. Hij gebruikte daarbij al zijn vele, vele vingers, zodat ik me afvroeg of de man misschien ooit als gitarist begonnen was. (Een seconde gegoogeld: klopt.)

Er zat weinig anders op na afloop nog even naar De Smederij af te zakken, alwaar de Russische trombonist Odu El Mahgut resideerde. Toen die andere Russische trombone-aas Pavel Shcherbakov zich in het funky gesprek mengde, werd ineens duidelijk dat dit koppel de ideale presidentskandidaat vormt (Pavel lijkt om te beginnen zelfs een beetje op Poetin en Odu is gewoon de Russische beer). Het bleef kortom nog lang swingen in Groningen en Moskou.

Klik hier voor foto's van dit concert door Willem Schwertmann.

Labels:

(Eddy Determeyer, 3.4.12) - [print] - [naar boven]





Cd
The Rempis Percussion Quartet – 'The Disappointment Of Parsley' (Not Two, 2009)


Zijn grootste bekendheid geniet hij waarschijnlijk vanwege zijn bijdragen aan de Vandermark 5, maar toch is Dave Rempis meer dan eén van de mindere goden in het jazzpantheon van Chicago. Hoewel hij internationaal veel minder prominent aanwezig is dan bijvoorbeeld Fred Longberg-Holm, Jeb Bishop, Ken Vandermark en andere Chicagoans van zijn generatie, is Rempis een uitstekend muzikant die een breder publiek verdient.

'The Disappointment Of Parsley', opgenomen met bassist Anton Hatwich en drummers Frank Rosaly en Tim Daisy, is in vele opzichten een typische blaaspartij uit de Windy City. De invloeden van vorige generaties zijn diep verankerd in zowel de stijl als de opbouw van de muziek. Net als bijvoorbeeld Fred Anderson, pater familias van de jamsessie in Chicago, zou doen, begint Rempis met een ad-lib die langzaam veranderd in een door percussie aangedreven stoomwals. De enorme energie die nodig is om twee ontketende drummers voor te blijven, weet de saxofonist in het titelnummer door middel van blues-georiënteerde arpeggio's te leveren. Na vijftien minuten stomende, maar heldere improvisatie, is het moeilijk niet geïmponeerd te zijn.

Vervolgens wisselt Rempis van tenor naar altsax voor 'Zoni', een geïmproviseerde interlude die hij heeft opgedragen aan zijn overleden grootmoeder. Ook hier is de blues de basis. Ritmes worden meer gesuggereerd dan gespeeld en dit werkt de dromerigheid van de muziek zeker in de hand.

Deze abstracte lijn zet zich door op het laatste nummer, 'C/Sold At Ten Percent Discount', waarin 'C', een compositie van Julius Hemphill, verwerkt zit. Hoewel ook hier de ritmes eerder gesuggereerd dan gespeeld worden, swingt het overal. Zoals vaker het geval is in marathonsessies uit dit gedeelte van de VS, manifesteert zich de percussieve aard van de muziek steeds duidelijker, zodat het tweede deel van het stuk een helderdere lijn volgt dan het eerste.

Een goed voorbeeld hiervan zijn de twee solo's die bassist Anton Hatwich neemt. De eerste, volledig gestreken solo is een stuk vrijer van vorm en veel minder stuwend dan de tweede, geplukte solo. Wanneer de bassist weer in het ensemble verdwijnt, keert de muziek terug naar de zoekende vorm die de eerste helft kenmerkte. Daarna zwellen de ritmes weer traag op tot extreem energieke proporties. Drummers Daisy en Rosaly vullen elkaar goed aan en kleuren de ritmes die de ander suggereert met onverwachte accenten.

Een vrij improviserend kwartet met twee drummers mag dan geen zeldzaamheid zijn, met muzikanten van dit niveau is het moeilijk de kwaliteit te negeren. Alle muzikanten op dit album verdienen een grotere internationale zichtbaarheid, vergelijkbaar met hun illustere stadsgenoten uit heden en verleden.

Meer horen?
Op de website van
emusic kun je fragmenten van de cd beluisteren.

Labels:

(Sybren Renema, 3.4.12) - [print] - [naar boven]


Lees verder in het archief...






Menupagina's:

Redactieadres:

Hoekstraat 1 B17
3910 Neerpelt
België
(0032) 11747180
(0032) 498788554

Nieuws, tips, suggesties, adverteren, meewerken?
Mail de redactie.