Jazz Class-X / Jazztube
Irreversible Entanglements - 'Irreversible Entanglements' (International Anthem, 2017)
Opname: 26 augustus 2015
Een van de helderste stemmen in het protest tegen racisme op dit moment luistert naar de naam Camae Ayewa. Deze zangeres en dichteres uit Philadelphia, beter bekend onder haar alias Moor Mother, stelt op onverbloemde wijze het onrecht dat de zwarte bevolking wordt aangedaan aan de kaak. Ze doet dat in haar soloprojecten, maar ook in de samenwerking met het impro-collectief Irreversible Entanglements, dat met het gelijknamige debuut uit 2017 een nu reeds klassiek album afleverde. Een kwintet overigens dat ontstond in het vervolg op een concert in 2015 als onderdeel van een Musicians Against Police Brutality-evenement. De aanleiding was de dood van de Afro-Amerikaanse Akai Gurley die op 28-jarige leeftijd door de politie werd doorgeschoten.
Dit is een van die zeldzame albums waarin de drummer begint, Tcheser Holmes, met een zeer snel, spanningsvol ritmisch patroon. De blues zit erin verborgen. Dan horen we trompettist Aquilles Navarro met een enigszins melancholiek patroon, gevolgd door Ayewa, opkomend vanuit de zijkant, met de geschiedenis van zwart Amerika: "We still disappear, as soon as master rings the bell!". 'Chicago To Texas' is begonnen. Ayewa gaat door, dit is geen lied, dit is een gedicht. Ayewa zingt niet, ze vertelt. Onderwijl deelt Holmes zijn slagen uit, zorgt bassist Luke Stewart voor een duister ritme en doorsnijden Navarro en altsaxofonist Keir Neuringer van tijd tot tijd haar betoog. "It's always black Sunday here", zingt ze, verwijzend naar de storm van 14 april 1935, het dieptepunt van wat bekend kwam te staan als de Dust Bowl. Het meeslepend, strakke ritme van 'Fireworks' gaat door merg en been. Keiharde slagen van Holmes en dan Ayewa, die ook hier haar aanklachten ongecensureerd de menigte in slingert. Ik zag de band ruim twee jaar geleden op Rewire en ik kan u verzekeren: dat laat je geenszins onberoerd. Navarro en Neuringer, hun bijdragen prachtig door elkaar vermengd, zetten de toon in het middendeel van dit enerverende nummer.
Zeer hectisch gaan de blazers van start in 'Enough'. Ze creëren een golf van geluid. "Enough!" schreeuwt Ayewa. De ritmesectie pakt het over en legt de structuur voor deze compositie van Navarro. "Sick and tired", laat Ayewa ons weten, racisme zuigt alle energie uit je lichaam. En dan een pijnlijk rake saxsolo van Neuringer, dit gaat door merg en been. Het meest confronterend vind ik nog altijd 'Projects', zeker met de recente moord op George Floyd in het achterhoofd. Krachtig, spanningsvol slagwerk, ingetogen muziek van de blazers, trefzekere accenten van de contrabas en dan Ayewa met het verhaal van een vrouw die op zoek is naar haar broer die door de politie is neergeschoten: "My brother is gone, I've seen him around, I think he got shot right in the head. (...) We live in a movie right here." De muziek accentueert deze verschrikkelijke zinnen op onbeschrijfelijke wijze. Dit moet je horen en ervaren. De pijn voelen, de ontreddering, het onrecht. Zoals Neidlinger vorm geeft aan die solo, geflankeerd door die intens spelende ritmesectie. "Oh God, Moses has been lynched, and the choir refuses to sing" vervolgt Ayewa haar verhaal, niet gespeend van de nodige dramatiek, terwijl op de achtergrond de chaos toeneemt. Er is geen ontkomen meer aan.
In de Jazztube zie je het concert dat Irreversible Entanglements op 13 maart 2018 gaf tijdens Direct Current in The Kennedy Center, Washington DC.
Jazz Class-X / Jazztube
Peter Brötzmann Octet - 'Machine Gun' (BRÖ, 1968)
Opname: mei 1968
Recent stond ik in onze serie Jazz Class-X stil bij 'We Insist! Freedom Now Suite' van Max Roach, het eerste jazzalbum met een duidelijke boodschap van protest tegen racisme. Het zou gelukkig niet bij dit album blijven. En omdat helaas datzelfde racisme weer eens actueel is, neem ik de kans waar om drie inmiddels iconische albums onder uw aandacht te brengen waarin dit protest krachtig tot uiting komt.
De free jazz die aan het eind van dat decennium tot ontwikkeling komt, is onmogelijk los te zien van deze beweging waarin protest en emancipatie hand in hand gaan. Zwarte musici in de VS begonnen ermee, blanke musici in Europa voelden zich erdoor geïnspireerd. Niet alleen door de muziek, ook door de boodschap. Het absolute hoogtepunt en een van de beste Europese jazzalbums aller tijden is daarbij altijd nog 'Machine Gun', opgenomen in 1968 door een octet onder leiding van rietblazer Peter Brötzmann, die zich sinds halverwege jaren zestug had ontwikkeld tot een van de voormannen van deze nieuwe muziekstijl. Faam verwierf hij met zijn trio, waarna het Frankfurt Jazz Festival hem in staat stelde dat octet op te richten waarvan alle leden in de jaren erna belangrijke spelers zouden worden binnen de Europese avant-garde. Als blazers koos hij Evan Parker en Willem Breuker, als bassisten Peter Kowald en Buschi Niebergall, als drummers Sven-Ake Johansson en Han Bennink en tot slot als pianist Fred van Hove.
Al het onrecht, de onrechtvaardigheid, de vernedering, de pijn, 'the horror' – zoals Kurtz het zo mooi uitdrukt in Joseph Conrads roman Heart of Darkness - komt samen in het titelstuk. Dat nog altijd, ruim vijftig jaar na dato, een mokerslag uitdeelt. We zien de man zitten achter zijn machinegeweer, op de door Brötzmann getekende hoes en het is exact dat wat we krijgen. Repetitief knetterend, super enerverend gaan de blazers van start. Zo klinkt protest, en niet anders. De kracht van deze muziek zit in het ongepolijste, zeer hectische en chaotische karakter. Het is verre van mooi, het mag ook niet mooi zijn. Het moet verontrusten, shockeren, structuren overhoop gooien en dat is ook wat het doet. Op onovertroffen wijze.
In 2018 zei Brötzmann tegen Andrew Jones van DownBeat ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van het album: "There is no contradiction between creation and destruction. I never thought music was a healing force of the universe. I didn't agree with Mr. [Albert] Ayler. But we wanted to change things; we needed a new start. In Germany, we all grew up with the same thing: 'Never again'. But in the government, all the same old Nazis were still there. We were angry. We wanted to do something."
Zo extreem zou het daarna zelden meer klinken, maar veel elementen uit dit miraculeuze album zouden breed navolging krijgen binnen de geïmproviseerde muziek. Neem dat fantastische duet tussen de beide bassisten halverwege het titelstuk, dat is impro ten voeten uit. 'Responsible' laat horen wat je kunt met twee drummers en twee bassisten. Als dan ook de drie blazers aansluiten ontstaat er een enorme kakofonie aan klanken, een orgie aan geluid. Hier staat de essentie op het spel, zoveel is zeker. En wat een prachtige bijdragen leveren die drie blazers hier, op het scherpst van de snede. Tot slot klinken de drummers in 'Music For Han Bennink', gevolgd door zeer ontstemd klinkende blazers. Explosies van geluid. Na een herhaling van dit procedé volgt een opmerkelijk introvert moment, fel onderbroken door Brötzmann. Het mag immers niet mooi zijn!
In 1990 verscheen het album op cd met extra takes van zowel 'Machine Gun' als 'Responsible'. In 2007 verscheen bij Atavistic 'The Complete Machine Gun Sessions', met daarop ook nog een liveversie van het titelstuk.
In 1970 gaf het Peter Brötzmann Octet een concert in het Antwerpse Park Den Brandt tijdens de tweede editie van Jazz Middelheim. In de Jazztube zie je een impressie, met interviews en concertbeelden.
Jazz Class-X / Jazztube
Max Roach - 'We Insist! - Freedom Now Suite' (Candid, 1960)
Opname: 31 augustus / 6 september 1960
De dood van George Floyd drukt ons weer eens met de neus op de feiten: het racisme is nog steeds springlevend en helaas niet alleen in de VS. Dat er de afgelopen weken breed stelling werd genomen tegen dit onrecht stemt hoopvol. Tegelijkertijd zal ook deze gebeurtenis, de zoveelste in een lange rij, niet de laatste zijn. Protest is daarom op zijn plaats, of het nu direct tot veranderingen leidt of niet. En gelukkig komt dat protest inmiddels lang niet meer alleen van de zwarte bevolking zelf, zoals dat decennialang het geval is geweest. Want, zoals u natuurlijk ook weet, we hebben het hier nu niet bepaald over een nieuw fenomeen.
De meest roerige tijd was onmiskenbaar die van de burgerrechtenbeweging in de jaren 60 van de vorige eeuw, waarin politici zich roerden, maar ook kunstenaars, waaronder jazzmusici. Een absoluut hoogtepunt daarin is zonder meer 'We Insist!', met als ondertitel 'Max Roach’ Freedom Now Suite'. De drummer begint eraan in 1959, samen met Oscar Brown, die de teksten voor hem schreef. Aangezien Roach toen in New York woonde en Brown in Chicago vroeg dat om improviseren. Brown zei er later over: "We did it on the road kind of; we really wrote it by telephone." Het bleek geen gelukkige keuze en nog voor de suite was voltooid haakte Brown af. Oorspronkelijk was de suite, in een langere versie, bedoeld om uitgevoerd te worden in 1963, tijdens de viering van het feit dat Abraham Lincoln in 1862 de zogenaamde Emancipation Proclamation uitvaardigde, waarmee een einde kwam aan de slavernij in de VS. Er speelde in 1960 echter te veel om nog langer te kunnen wachten en Roach greep het momentum aan om in augustus en september 1960 met een kwintet dit album op te nemen, dat nog in december van datzelfde jaar verscheen bij Candid Records. Naast Roach horen we zijn vrouw en vocaliste Abbey Lincoln, de legendarische tenorsaxofonist Coleman Hawkins, tenorsaxofonist Walter Benton, trombonist Julian Priester, trompettist Booker Little, bassist James Schenk en de percussionisten Michael Olatunji, Raymond Mantilla en Thomas du Vall.
Het album begint met 'Driva’ Man', waarin Roach en Brown teruggrijpen op de slavernij. Nat Hentoff, die bij de opnamesessies aanwezig was, zei over dit nummer: "It's a personification of the white overseer in slavery times who often forced women under his jurisdiction into sexual relations." Lincoln begint solo, slechts begeleid door Roach, wiens slagen klinken als die van een zweep. Dan vallen de overige musici bij en schittert Hawkins in een getormenteerde solo. De echte kracht in dit op zich vrij simpele nummer zit echter in dat slepende ritme dat ons continu vergezelt. Met 'Freedom Day' grijpt Roach terug op de hierboven genoemde Emancipation Proclamation, die de zwarte bevolking in naam gelijkwaardig maakte aan de blanke. Maar de drummer zelf verwoorde het treffend: "We could never finish it, because freedom itself was so hard to grasp: we don't really understand what it really is to be free. The last sound we did, 'Freedom Day,' ended with a question mark." De blazers starten hier met unisono gespeelde lijnen, waarna we Lincoln horen met de oproep de ketens af te doen. Ondanks die woorden van Roach klinkt dit als een zeer strijdbaar nummer, met prachtige solo's van Benton, Little, Priester en Roach zelf. En als we dan Lincoln weer horen, lopen de rillingen je de over de rug.
Het hart van het album bestaat uit 'Triptych: Prayer, Protest, Peace'. Een duet tussen Roach en Lincoln. 'Prayer' klinkt terecht als een spiritual waarin Lincoln de hoofdrol speelt, spanningsvol begeleidt door Roach. Een gewijd begin, dat halverwege dramatisch omslaat. Op Roach overdonderend drumwerk horen we een schreeuwende, krijsende, huilende Lincoln of zoals Hentoff het verwoordde: "Final, uncontrollable unleashing of rage and anger that have been compressed in fear for so long that the only catharsis can be the extremely painful tearing out of all the accumulating fury..." In 'Peace' klinkt de rust terug. Bijzonder in dit stuk is overigens dat Lincoln geen tekst heeft - Brown was reeds vertrokken - en zich louter bedient van vocale klanken.
Roach beperkte zich niet tot de situatie in zijn eigen land. In 'All Africa' en 'Tears For Johannesburg' maakt hij de oversteek naar het continent waar zijn wortels lagen. In 'All Africa' staat hij stil bij het dan opkomende nationalisme in dit werelddeel, wat zou leiden tot het dekolonialiseringsproces en in 'Tears For Johannesburg' richt hij zijn peilen op de apartheid en dan specifiek op de gebeurtenis eerder dat jaar in Sharpeville, waarbij de politie op demonstranten schoot. Met 69 doden en 180 gewonden als gevolg. 'All Africa', staat mede dankzij de uitgebreide percussie dichter bij Afrikaanse muziek dan bij de jazz, iets wat prima past bij de doelstelling van dit album. Met 'Tears For Johannesburg' weet Roach weer te raken, met name door de in elkaar verstrengelde blazerspartij en de krachtige, maar ook schrijnende solo's.
Twee Jazztubes deze keer: 'Driva’ Man' en 'Tears For Johannesburg / Triptych', uitgevoerd door een kwintet van Max Roach bestaande uit pianist Coleridge Perkinson, bassist Eddie Kahn, tenorsaxofonist Clifford Jordan en zangeres Abbey Lincoln. Een opname uit 1964 voor het Belgische televisieprogramma 'Jazz Prisma'.
Jazz Class-X / Jazztube
Keith Jarrett - 'Köln Concert' (ECM, 1975)
Opname: 24 januari 1975
24 januari 1975 was voor Keith Jarrett nu niet bepaald een fijne dag. Hij kwam vrij laat aan in het operagebouw van Keulen na een vijf uur durende autorit vanuit Zürich, had veel pijn in zijn rug en had mede daardoor slecht geslapen en nog niet gegeten. En toen zag hij de piano staan. In tegenstelling tot de gevraagde Bösendorfer Imperial-concertvleugel stond daar een kleiner exemplaar, eigenlijk alleen geschikt voor repetities. Omruilen ging niet meer. Maar voor het instrument naar de zin van de meester was gestemd, waren we wel vijf uur verder. Jarrett had dan ook flink de pest in en wilde die avond - het concert stond gepland om half twaalf, na een opera - eigenlijk niet spelen. Gelukkig liet hij zich overhalen en werden er zelfs opnamen gemaakt, voor privégebruik.
Het was niet het eerste soloconcert dat Jarrett, op dat moment 29 jaar oud, speelde. Andere solorecitals vonden plaats in maart en juli 1973, respectievelijk in Lausanne en in Bremen, maar veel ervaring met deze vorm had hij op dat moment nog niet. Tot dan toe was hij vooral bekend als pianist in het Charles Lloyd Quartet en door zijn bijdragen aan het Miles Davis Septet.
45 jaar later is het 'Köln Concert', want over dat album hebben we het hier, uitgegroeid tot het best verkochte album uit de geschiedenis van de jazz. Het zette het ECM-label definitief op de kaart. De roem reikt inmiddels zo ver dat er zelfs partituren van het stuk bestaan, waar Jarrett aanvankelijk zeer op tegen was, en opnamen van pianisten die het stuk eveneens spelen. En dat terwijl Jarrett hier, zoals altijd, volledig improviseerde. Maar waardoor is dit album nu eigenlijk zo ongelooflijk populair geworden? Want strikt genomen is het zeker technisch - wat natuurlijk voor een belangrijk deel te wijten is aan die tekortschietende piano - niet zijn beste soloalbum. De reden moet hem liggen in een combinatie van factoren. Het heeft er alle schijn van dat Jarrett, toen hij eenmaal besloot er maar het beste van te maken, er ook helemaal voor ging. Die eerste paar, voorzichtige noten in 'Part I', waar hij heel geleidelijk een melodie mee opbouwt, soms zichzelf even een zijpaadje veroorlovend: magnifiek. En dan komt de swing erin, de lyriek, onbeschaamd, tegen de kitsch aan schurkend. Komt het omdat Jarrett vooraf de muziek van die opera had gehoord? Ik kan nergens vinden welke er die avond op het programma stond, maar het zou zo maar kunnen. Die lyriek bouwt hij aansluitend groots uit, tussendoor neuriënd. Patronen die zich vastzetten in je hoofd, om er nooit meer uit te verdwijnen. Kippenvel, iedere keer weer.
Het is Jarretts gevoel voor ritme en timing dat hij hier met zoveel succes volledig uitserveert, een kwaliteit die me laatst ook weer opviel bij het terugluisteren van het concert van het Charles Lloyd Quartet in 1967 tijdens het Montreux Jazz Festival. Daarmee dwars ingaand tegen alle regels van de avant-garde jazz, waar hij zelf eveneens deel van uitmaakte - beluister de opnamen van oktober 1974 met het American Quartet en je zit in een compleet andere wereld.
Het tweede deel van het concert leidde tot hoofdbrekens bij ECM. Paste het eerste deel nog mooi op een lp-kant, het tweede werd in drie stukken geknipt en verdeeld over de resterende kanten van het dubbelalbum. Zo heeft de cd nog steeds vier stukken, al zijn het er eigenlijk maar twee (de eerste cd's uit 1983 missen bovendien het vierde stuk). Repetitief ritmisch vangt dit deel aan, je hoort dat Jarrett zich concentreert op het midden van zijn klavier, waar telkens een attractieve melodie doorheen piept. Na een wat ingetogenere fase pakt hij, in wat nu 'Part IIb' heet, met zijn linkerhand het ritme weer op, terwijl hij er met zijn rechterhand op improviseert. Een van de mooiste passages op dit album. Stomend dendert hij richting 'Part IIc'. Dit concert... ik had erbij willen zijn.
In de Jazztube zie je een soloconcert van Keith Jarrett, opgenomen in 1977 in Vermont.
Jazz Class-X
Gerry Mulligan/Chet Baker Quartet - 'The Original Gerry Mulligan - Chet Baker Quartet - Complete Recordings' (American Jazz Classics, 2011)
Opname: 16 augustus 1952 - 20 mei 1953
In een eerdere aflevering van deze reeks klassieke jazzalbums kwamen we te spreken over Miles Davis' 'Birth Of The Cool', dat algemeen geldt als een van de eerste en meest bepalende albums binnen de dan nieuwe 'cool jazz'. Een van de vaste actoren in dit nonet, dat slechts ruim een jaar bestond, was baritonsaxofonist Gerry Mulligan. Niet verwonderlijk, als goede vriend van arrangeur en pianist Gil Evans was hij het die, nog voor Davis, met deze wijze van spelen begon te experimenteren. In tegenstelling tot Miles, die spoedig andere wegen zou gaan verkennen, bleef Mulligan de cool jazz trouw. Begin 1952 verhuist hij naar Los Angeles, om te gaan arrangeren voor het orkest van Stan Kenton, brood op de plank. Daarnaast speelt hij 's avonds in The Haig. Het is daar dat hij op een van de jamsessies op maandagavond een jonge trompettist tegen het lijf loopt die ook wel eens mee wil spelen: Chet Baker. Ze kunnen het goed met elkaar vinden en besluiten opnames te maken. Er is alleen één probleem: The Haig heeft geen piano meer. Nu de band van vibrafonist Red Norvo de vaste bespeler was geworden van de club, kon de piano de deur uit. Van de nood een deugd makend besloot Mulligan om het dan maar zonder te doen. Hij nodigde bassist Bob Whitlock en drummer Chico Hamilton uit en begon wat de geschiedenis in zou gaan als het eerste pianoloze kwartet.
Het is 10 juni 1952 als Dick Bock de eerste opnames van dit kwartet maakt in Phil Turetsky's House, eveneens in Los Angeles. Bock zou kort daarna samen met Roy Harte Pacific Records oprichten, waar in 1952 de eerste lp uitkwam. Daarop muziek van twee sessies, die van 16 augustus en van 15 en 16 oktober. Eerder materiaal bleef op de plank liggen. Inmiddels bijna 70 jaar later zijn al die sessies in verschillende edities verzameld, van enkele schijven met hoogtepunten tot de uit vier cd's bestaande 'The Complete Pacific Jazz Recordings Of The Gerry Mulligan Quartet With Chet Baker'. Omdat bij deze laatste editie ook andere opnames staan dan van dit kwartet, bijvoorbeeld die met Lee Konitz als vijfde man, richten we ons hier op een uitgave die de titel 'The Original Gerry Mulligan - Chet Baker Quartet' draagt en die het grootste deel van die opnames uit 1952 en '53 van dit fameuze kwartet bevat.
Beluister die eerste opnames van augustus 1952 en dan met name de ballad 'Lullaby Of The Leaves'. Allereerst Bob Whitlock, die gestaag plukkend een slepend ritme aan zijn bas ontlokt en dan Mulligan en Baker, beiden afwisselend begeleidend en solerend, elkaar uitstekend aanvullend. En dat was best bijzonder gezien de totaal verschillende achtergrond van de twee blazers. Mulligan was een klassiek geschoold musicus, terwijl Baker een veel intuïtievere stijl van spelen had. Maar hier komt het prachtig samen, waarbij de harmonieuze samenhang en de melodieuze verfijning opvalt. Half oktober 1952 nam het kwartet zes nummers op in de Gold Star Studios in Los Angeles. Het samenspel tussen Mulligan en Baker is duidelijk verder gegroeid. Luister hoe mooi ze samen bouwen aan de melodie van 'Aren’t You Glad You’re You', hoe ze elkaar afwisselen in 'Frenesi' - let hier ook op het Zuid-Amerikaans aandoende slagwerk van Hamilton - en hoe Mulligan de leiding neemt in 'Nights At The Turntable', terwijl Baker begeleidt. De piano wordt hier geenszins gemist. En natuurlijk is die combinatie van baritonsax en trompet een heel bijzondere, met prachtige klankkleuren tot gevolg.
In januari 1953 neemt Carson Smith de rol van bassist over van Whitlock en maken de twee in wisselende samenstellingen opnames, als kwartet (waartoe we ons hier beperken), als kwintet, met Lee Konitz op altsax en als tentet - alle bezettingen overigens consequent zonder pianist. Als kwartet vinden we ze allereerst begin januari weer in 'The Haig'. Hoogtepunten in dit concert zijn zonder meer 'Get Happy' - vanwege de stomende solo's van Hemmingway en Baker en het heerlijk hoekige spel van Hamilton - en 'Poinciana'. Dit laatste met name vanwege de wijze waarop Mulligan gestalte geeft aan deze latin jazz-klassieker.
Eind februari, Larry Bunker heeft inmiddels de plaats ingenomen van Chico Hamilton, neemt het kwartet weer vier stukken op in de Gold Star Studios. De single 'Motel', een zeer enerverend, bijna dansbaar nummer van Mulligan, met als b-kant de klassieker 'Makin’ Whoopee' zou een hit worden. In een sessie op 27, 29 en 30 april neemt het kwartet een aantal klassiekers op voor de radio: 'My Old Flame', 'All The Things You Are', 'Love Me Or Leave Me', 'The Nearness Of You' en 'Tea For Two'.
Aansluitend volgen nog twee sessies in mei, met onder andere een opname van het stuk dat door Baker onsterfelijk zou worden: 'My Funny Valentine'. En dan valt het doek. Mulligan wordt gepakt met drugs en verdwijnt voor een half jaar achter de tralies. Een half jaar waarin Baker doorbreekt met zijn kwartet met pianist Russ Freeman. Als Mulligan in 1954 de draad weer op wil pakken, heeft Baker geen interesse meer. Ze staan daarna nog een aantal keren samen op het podium, in 1955 op het Newport Jazz Festival en als laatste in 1974 in Carnegie Hall, maar de magie van dat jaar in 1952-53 is er dan al lang af.
Jazz Class-X / Jazztube
Dinah Washington - 'Dinah Jams' (EmArcy, 1955)
Opname: 15 augustus 1954
Als tienermeisje zong Ruth Jones (1924–1963) gospel in een kerkkoor en bij de Sallie Martin Group. Toen zij nog geen twintig was, zong zij bij de bigband van Lionel Hampton onder de artiestennaam Dinah Washington. Onder impuls van jazzcriticus Leonard Feather maakte zij haar opnamedebuut met zijn 'Evil Gal Blues'. In 1946 zei ze de band van Hampton adieu.
Dinah Washington had al een resem top tien-hits gescoord in de R&B-lijsten toen zij 'Dinah Jams' live in de studio opnam. Bij deze sessie waren het kwintet van trompettist Clifford Brown en drummer Max Roach betrokken, plus nog vijf jazzmuzikanten, onder wie de trompettisten Clark Terry en Maynard Ferguson. De weergave van deze sessie vormt een jazzalbum om U tegen te zeggen.
Na een korte intro van de ritmesectie en Dinah die een eerste keer de tekst zingt van 'Lover Come Back To Me' vliegen de solo's en handgeklap je rond de oren. De muzikanten laten het hoge tempo geen tel zakken en voor je het weet zijn de eerste tien minuten bijna voorbij. Als de zangeres de tekst hartstochtelijk herneemt, gaat het muzikale vuurwerk verder. Dat 'Alone Together' en 'Summertime' daarna in een instrumentale versie volgen, zet fijntjes in de verf dat we met een jam te maken hebben waarbij deelnemers komen en gaan. Jam betekent dan weer niet dat alle nummers een lange versie krijgen. De instrumentale zijn als kleine, schitterende edelstenen - 'Summertime' is een vrijgeleide voor heerlijk trompetspel dat bijna zo hoog mikt als de zon.
Als de zangeres 'Come Rain Or Come Shine' zingt, gooit ze welgemikt haar gospelachtergrond in het spel. Als zij 'No More' zingt, haalt zij overtuigend haar blueskant uit de kast. Haar articulatie en frasering maken dat je moeiteloos de tekst volgt, het gevoel dat zij er inlegt dat je kan meeleven. Hoe zij met deze band 'I’ve Got You Under My Skin' vertolkt mag graag aan tintelende verliefdheid doen denken. Dat geldt niet minder voor 'You Go To My Head' met een sobere intro van piano en zang, een inleiding voor een muzikaal feestje. Op deze plaat zijn de muzikanten niet minder dan de diva de sterren.
Op de originele plaat draaiden enkel de opener en afsluiter 'You Go To My Head' rond de tien minuten. De heruitgave op digitale drager met drie bonustracks voegde er nog 'I’ll Remember April' aan toe, met een speelduur van twaalf minuten de langste imponerende track, maar 'Darn That Dream' en 'Crazy He Calls Me' zijn ook echt niet te versmaden.
Dinah Washington klonk met een acrobatische souplesse zo vleselijk, zo entertainend en overtuigend. Zij werd in de sixties niet voor niets een voorbeeld voor soulzangeressen als Aretha Franklin. Aretha droeg met 'Unforgettable' een heel album op aan nummers die Dinah, toen pas gestorven, bij leven had gezongen. Na haar jazzplaten had Dinah met gemak en commercieel succes haar horizon verbreed naar het grote publiek. Voor de danslustige jazzminnaar maakte zij nog interessante opnamen gearrangeerd door een jonge Quincy Jones. Denk maar aan die van december 1956, verschenen als 'The Swingin’ Miss “D”'. Wie echt voor haar stem valt, kan zelfs vandaag nog genieten van haar grootste hits van luttele jaren later, 'What A Diff’rence A Day Made' en 'Unforgettable'. Zij stierf jong, maar maakte haar zangtalent onvergetelijk.
In de Jazztube zie je Dinah Washington live aan het werk op het Newport Jazz Festival in 1958. Samen met Terry Gibbs, Max Roach en Don Elliot brengt ze 'All Of Me'.
Jazz Class-X
Thelonious Monk Quartet with John Coltrane - 'At Carnegie Hall' (Blue Note, 2005)
Opname: 29 november 1957
In het jaar dat we 100 jaar jazz vieren, was het in oktober 100 jaar geleden dat Thelonious Monk werd geboren en 60 jaar geleden dat de carrière van de hogepriester van de bebop een boost kreeg. 1957 was het jaar van de onvergetelijke platen 'Monk Himself' (solo), 'Monk’s Music' (met én Coleman Hawkins én John Coltrane), 'Art Blakey And The Jazz Messengers With Thelonious Monk' en 'Mulligan Meets Monk', maar bovenal kon hij zich live weer in de kijker spelen. Waardoor ook ene Marcel Romano hem live zag. Die regelde in 1957 mee dat Miles Davis voor de soundtrack zorgde van 'Ascenseur Pour L’échafaud' van filmmaker Louis Malle. In 1959 zou Romano Monk naar Frankrijk halen voor die van 'Les Laisons Dangereuses' van Roger Vadim. Op de plaat met de soundtrack zou dan enkel muziek van Art Blakey and the Jazz Messengers with Barney Wilen staan, de nummers van en met Monk verschenen pas met Record Store Day 2017... Maar dat is weer een ander verhaal.
Kort voor de zomer van 1957 had Thelonious Monk zijn cabaret card teruggekregen op voorwaarde dat een clubeigenaar hem inhuurde. Kort daarvoor had Miles Davis John Coltrane uit zijn kwintet gezet en had Monk de saxofonist meteen voorgesteld om bij hem te komen spelen. Monk werd een privéleraar voor Coltrane die, net cold turkey afgekickt, wel een intellectuele kluif kon gebruiken. In het begin was het worstelen met de composities van de pianist, die hij ervaarde als een muzikale architect van de hoogste orde.
Vanaf 4 juli begon Monk aan een concertreeks in de New Yorkse jazzclub The Five Spot met Coltrane in zijn kwartet. Zo vond die bij Monk ook op het podium zowel een kader als een enorme vrijheid en alle ruimte om zich te ontwikkelen. Na een tijdje speelden ze samen als twee kompanen en prikkelden zij elkaar, vulden zij elkaar schitterend aan. Monk stond vaak op om een dansje te doen en ging dan soms nog iets bestellen aan de bar. Dat moet ook voor het publiek, dat elke avond talrijk opdaagde, een aparte belevenis geweest zijn. De saxofonist, bassist Wilbur Ware en drummer Shadow Wilson hadden dan de tijd om met zijn drieën te improviseren. Ware maakte dat spannend voor Coltrane door heel inventief naast, rond en over de harmonische structuur te improviseren. In zo'n trio-formatie zou Ware later dat jaar met drummer Elvin Jones een superbe Sonny Rollins begeleiden in de Village Vanguard – het bleek een magische formule.
Nadat Ware een keer ziek was geworden van een broodje tonijnsalade, had Ahmed Abdul-Malik, een vriend van pianist Randy Weston, zijn plaats ingenomen. Het is met hem op bas dat het kwartet de reeks concerten in de Five Spot verderzetten en in november voor het eerst op een groot podium verscheen. Dat optreden in Carnegie Hall werd een succes dat, opgenomen door Voice Of America, goed gearchiveerd werd om pas vele jaren later weer ontdekt te worden en uitgebracht te raken in 2005. De cd documenteert een groep in topvorm, kort voordat die uit elkaar zou gaan. Coltrane zou terugkeren naar Miles Davis en weinig later helemaal zijn eigen koers varen.
Het was een avond dat Monk niet aan het dansen ging, maar de interactie met zijn vieren werd aangehouden. Ballads kregen een beeldige sensuele uitvoering, in snelle nummers gingen de vier swingen als de pest. Op deze fantastische opnamen van hoge geluidskwaliteit horen we een hecht kwartet dat enorm energiek en tintelend fris klinkt. Met als opener 'Monk’s Mood', dat de pianist heel teder aanvat om dan een pakkend gevoelige dialoog aan te gaan met Coltrane en te verrassen met arpeggio's. Vanaf 'Evidence' schiet ook de ritmetandem echt in gang. Vrij onopvallend vergroot Abdul-Malek de elasticiteit van het kwartet, Shadow Wilson toont zich in grote vorm. Op de standard 'Sweet And Lovely' schildert die vlot met de brushes terwijl Monk en Coltrane heel kleurrijk vertellen, om in een tempoversnelling over te gaan tot stuwend drummen terwijl Coltrane vol vuur aan het blazen gaat. De drummer draagt ook geweldig bij aan de dynamiek in 'Nutty', 'Bye-Ya' (met Caraïbisch ritme) en 'Epistrophy'.
Voor wie van de muziek van Monk houdt, is dit een cd waarop de ene parel nog meer lijkt te schitteren dan de andere, zowel door zijn eigen sprankelende spel als door de prestaties van en de samenhang met de anderen. Bovendien illustreren deze live-opnamen een fase in de opmars van Coltrane, die bij Monk zijn unieke, verticale en versnellende manier van improviseren ontwikkelde die Ira Gitler in 1958 als "sheets of sound" omschreef. Dat was nadien ook op plaat te traceren toen in 1961 opnamen van juli 1957 van onder het stof kwamen met daarop 'Trinkle Trinkle' – het lag aan contracten en deals met platenlabels dat die sessie niet op vinyl was beland. 'Thelonious Monk Quartet With John Coltrane At Carnegie Hall' laat meer van die fase van de sheets-techniek horen en vervolledigt het plaatje met de registratie van een avond die de kroon zette op een unieke samenwerking.
Jazz Class-X
Sonny Rollins - 'A Night At The Village Vanguard' (Blue Note, 1958)
Opname: 3 november 1957
Sonny Rollins was met jazz opgegroeid in Harlem en had al met Miles Davis, Thelonious Monk, Clifford Brown, Max Roach en vele andere grote muzikanten gespeeld toen hij halverwege de jaren 1950 onder eigen naam albums begon op te nemen en in 1957 uitpakte met een trioformule. Met Shelly Manne aan de drums en Ray Brown op contrabas ging hij op 'Way Out West' vrij zijn gang, zonder dat een pianist akkoorden zat mee te spelen. 'A Night At The Village Vanguard' laat hem horen terwijl hij zo live soleerde met twee andere ritmesecties in een club in de herfst van dat jaar. Ongehinderd stond hij te pieken, zijn creativiteit scheen onuitputtelijk. Hij speelde in en rond thema's, zijn ademstoten bliezen in en uit de melodie. Hij speelde alsof hij met dat improviseren eindeloos kon doorgaan, krachtig en viriel, maar ook romantisch. In 2010 zou saxofonist Jon Irabagon het op zijn 'Foxy' in die manier van spelen nog wat verder drijven en met de hoes verwijzen naar 'Way Out West', weliswaar niet in cowboy-pose met een tenorsax in plaats van een revolver tegen een western achtergrond, maar met een sexy babe in bikini met sax in de duinen...
Sonny Rollins was in die jaren dé saxofonist, briljant en grensverleggend, die zijn instrument beheerste en kon improviseren zonder dat het een moment ging vervelen. In de Village Vanguard ging hij aan de slag met populaire tunes en met bebopklassiekers. Ook dat houdt deze opnamen aantrekkelijk: of je nu de jazzgeschiedenis nog maar pas begint te verkennen of van standards al ettelijke versies hebt gehoord, je kan keer op keer genieten van heerlijke instrumentale live-uitvoeringen die overstromen van ideeën.
Op de originele live-lp stonden spontane versies van drie populaire liedjes met een geschiedenis, te beginnen met 'Old Devil Moon' uit een musical van 1947 en bij Rollins live van bij het begin begeleid met opgewekte percussie en bas. Eind jaren 60 zou Petula Clark het nog zingen. Je vindt er ook 'Softly As In A Morning Sunrise' op, oorspronkelijk uit een operette van 1927 en weer opgepikt in een jaren 40-filmversie, in de Villlage Vanguard mét het melancholische karakter van de song, maar ook met ronde, warme noten op de bas van Wilbur Ware, die in die periode vaak met Thelonious Monk speelde. De tristesse ging nog dieper in het trage 'I Can’t Get Started', dat Billie Holiday in 1938 had opgepikt en dat nadien nog door vele andere grote jazzmuzikanten zou worden gespeeld, eigenlijk afkomstig uit een theaterstuk van 1936 en toen gezongen door Bob Hope. Latere uitgaven die verder plukten uit de drie sessies van die dag brachten onder andere nog een meeslepende versie voort van 'I’ve Got You Under My Skin' en een energieke van 'What Is This Thing Called Love', twee prachtige liefdesliedjes van Cole Porter.
Rollins eerde daarnaast de bebop met 'A Night In Tunesia', een klassieker van Dizzy Gillespie die hij 's namiddags al lekker lang en levendig speelde met Peta LaRoca en Donald Bailey en met 'Striver’s Row', dat hij baseerde op de akkoorden van 'Confirmation' van Charlie Parker, die in 1955 was gestorven. Een andere eigen compositie van Rollins was 'Sonnymoon for Two', kwiek en soepel swingend met de vrolijke noten van Wilbur Ware op bas en het speelse, stuwende slagwerk van Elvin Jones, die van 1960 tot 1966 mee zou spelen met het John Coltrane Quartet. Hij zou er in 1965 dan ook bij zijn om de legendarische lp 'A Love Supreme' op te nemen.
Het gegeven indachtig dat jazz een genre is dat zich graag, zo niet bij voorkeur live laat genieten, raden wij voor uw collectie niet minder dan 'A Love Supreme' ook 'A Night At The Village Vanguard' aan, een document dat live en levenslustig een jazzlegende illustreert op het toppunt van zijn kunnen en hem persoonlijk in zijn aankondigingen aan het woord laat. Het was de eerste plaat die uitkwam in een nog altijd groeiende reeks van opnamen live in de Village Vanguard en het is een mijlpaal gebleken, een van 17 Essential Hard Bop Recordings volgens Scott Yanow, die vele artikels en elf boeken schreef over jazz. Het is een klassieker die saxofonisten ontzag blijft inboezemen en liefhebbers van jazz blijft aanspreken.
Jazz Class-X
Charles Mingus - 'Tijuana Moods' (RCA Victor, 1962)
Opname: 18 juli / 6 augustus 1957
Een van de meest memorabele bassisten in de jazz is Charles Mingus. Toen zijn 'Tijuana Moods' in 1962 uitkwam, noemde hij het – hij schreef zelf het grootste deel van de liner notes - de beste plaat die hij ooit maakte. Hij had er toen al aan vele meegewerkt en onder eigen naam enkele essentiële platen uitgebracht. In 1956 had hij met 'Pithecanthropus Erectus' de deur mede opengezet voor het begin van de free jazz. In 1959 was 'Mingus Ah Um' verschenen, met onder meer de onsterfelijke 'Fables Of Faubus', 'Better Git It In Your Soul' en 'Goodbye Pork Pie Hat'. Een van zijn meest ambitieuze lp's, 'The Black Saint And The Sinner Lady', zou in 1963 volgen.
De opnamen van 'Tijuana Moods' dateren van 1957, het jaar waarin ook 'The Clown', 'Mingus Three', 'East Coasting' en 'A Modern Jazz Symposium Of Music And Poetry' werden opgenomen (en wel uitgebracht). Drummer Dannie Richmond is naast Mingus de grote constante. Hij was toen nog maar kort van tenorsax naar drums overgeschakeld en zou voor meer dan twintig jaar Mingus' vaste drummer blijven. Behalve op de trioplaat waren ook trombonist Jimmy Knepper en saxofonist Shafi Hadi er in 1957 telkens bij. Met trompettist Clarence Shaw vormden zij een schitterend blazersfront, tot Shaw na een heftige ruzie met Mingus de muziekwereld de rug toekeerde.
'Tijuana Moods' was het muzikale reisverslag van Mingus, die wegvluchtte omdat het was uitgeraakt met zijn toenmalige vrouw. Onderweg naar Tijuana herschreef hij alvast 'Woody ‘n’ You' van Dizzy Gillespie tot 'Dizzy Moods'. Hij verwerkte er zijn verwachtingen in op basis van wat hij al had gehoord over de wilde stad in Mexico. Zo anticipeerde hij met andere woorden op een stapje in de wereld onder invloed van een of ander. Met zijn allen leggen de muzikanten een stevige bodem, swingend en elkaar het woord gevend, om dromerig te soleren. De latin touch die al in de lucht hangt, materialiseert bij 'Ysabel’s Table Dance' in de castagnetten van Ysabel Morel, die onder andere met haar beweeglijke handen de band opjut en een heftige scène in een stripteasebar in het leven roept. Daarbij springen vooral de verbazend soepele Knepper op trombone, Hadi op altsax en de immer passionele bassist naar voren. Het is een dans die uit verschillende bewegingen bestaat en zowel een patroon volgt als improvisatie behelst.
Het is ook lol trappen in de 'Tijuana Gift Shop', maar niet zo lang als in de bar of op straat met 'Los Mariachis'. Dit stuk begint wel vlot en bijna zo snel als 'Tijuana Gift Shop' werd aangedaan, maar het bedrukte gezicht van de toerist die Mingus was moet boekdelen gesproken hebben. Dit stuk lijkt te verhalen hoe de straatmuzikanten hem vlotjes wilden benaderen, maar verkozen om behoedzaam op zijn gemoedstoestand in te spelen en dan naargelang zijn reacties geestige dingetjes af te wisselen met blues. De piano wordt er als een externe verteller bijgehaald, een rol die de obscure Bill Triglia met glans opneemt. Bij 'Ysabel’s Table Dance' en 'Los Mariachis (The Street Musicians)' horen we hoe goed het kon worden als Mingus zijn groep aanstuurde en zijn bandleden in een gezamenlijke roes boven zichzelf wilde laten uitstijgen. Enerzijds wou hij de controle, anderzijds hield hij van collectieve improvisatie. Tegelijk sloot hij aan op de muzikale geschiedenis - check New Orleans, swing, Duke Ellington - én werd hij gedreven door een vurige vernieuwingsdrang. In die jaren zocht hij volop wegen om compositie en improvisatie te verbinden en was hij dan ook mee met de modale jazz en de zogenaamde Third Stream. Dat laat zijn sporen na op 'Tijuana Moods', maar deze plaat is meer een gevoelsmatig en warmbloedig verhaal.
De lp sloot indertijd af met een fijne, instrumentale versie van het liedje 'Flamingo'. In 1941 een hit voor Duke Ellington, met een zanger en orkest, in 1957 voor Mingus en zijn groep een vehikel om met beheerste timing en articulatie emotioneel uit te bollen. Op cd-uitgaven kwam er later 'A Colloquial Dream (Scenes in the City)' bij, opgediept uit de originele opnamen van de Tijuana-sessies in 1957. Lonnie Elder is daarop verteller van dienst, een levendig voorbeeld van Mingus die muziek met poëzie wilde versmelten – een project waar hij ook bij zou zijn in 1958 was 'The Weary Blues With Langston Hughes' – schrijver en exponent van de Harlem Renaissance.
Op 18 juli 2017 zijn de opnamen van 'Tijuana Moods' 60 jaar oud. Nog altijd zijn ze goed voor een warm en begeesterend reisje in de jazzgeschiedenis.
Jazz Class-X
Kaufman/Landfermann/Lillinger - 'Grünen' (Clean Feed, 2010)
Opname: 1 april 2009
Uw nederige dienaar krijgt tal van cd's door vele labels en muzikanten, veel meer dan mogelijk zijn om zelfs maar te beluisteren, laat staan om ze allemaal te recenseren. Veel van de albums waarover ik niet schrijf hebben één ding gemeen: een gebrek aan muzikaliteit.
Soms zijn de ideeën er wel, maar op een cerebraal niveau, of is het creatief alleen maar om creatief te zijn, apart alleen om apart te zijn, luidruchtig om luidruchtig te zijn, choquerend puur om te choqueren. Muzikaliteit en invoelbaarheid (qua flow, geluid, tempo, interactie...) vereist echter talent, en niet alleen conceptueel denken en technische vaardigheden.
Dit Duitse trio belichaamt deze notie van 'muzikaliteit', uitgedrukt in acht improvisaties. Pianist Achim Kaufmann, bassist Robert Landfermann en drummer Christian Lillinger brengen een mix van jazz en vrije improvisatie, maar allemaal met een ongelooflijk gevoel voor lyriek en spanning. Dat laatste is het gevolg van de vele variaties en uitdagende contrasten tussen de drie instrumenten, met vreemde rolverschuivingen tussen de melodische en ritmische instrumenten. De spanning vloeit ook voort uit het contrast tussen lichte, bijna impressionistische momenten en donkere, ritmische passages, zoals in het lange 'Khaki'.
De schoonheid van dit alles ligt in de boeiende storytelling, met regelmatig nieuwe verhaallijnen die de aandacht trekken, zodat je steeds benieuwd bent naar wat er gaat komen. Het trio neemt de luisteraar mee in een soms overweldigende, meeslepende en fascinerende trip, door middel van onverwachte geluidsverkenningen op 'Reed' of 'Loden', vol weirde wendingen, of juist door de rustgevende gevoeligheid van 'Ur'.
De albumtitel refereert aan verschillende kleurtinten en wordt ook weerspiegeld in de titels van de tracks, vrije associaties van het woord 'groen', maar steeds in lijn met hun muziek. Geen voorspelbare kleuren, want net als de kleur is de muziek heel fris en ongerept, met af en toe schaduwen van hetzelfde materiaal, maar toch weer heel anders.
Kaufmann, Landfermann en Lillinger creëren iets nieuws met het traditionele pianotrio-format, met een hoge mate van muzikaliteit en creativiteit. Deze drie kunstenaars maken geen muziek, ze zijn muziek.
Klik hier om te luisteren naar een track van dit album: 'Signal'.
Jazz Class-X
Kamasi Washington - 'The Epic' (Brainfeeder, 2015)
"Zeventien composities, samen goed voor 172 (!) minuten, verdeeld over drie schijfjes. Het is zowat de definitie van commerciële zelfmoord. Pas je het dan nog eens toe op jazz, dan lijkt het idee al helemaal van de pot gerukt. Wie heeft daar in deze tijden nog zin in? Of überhaupt tijd voor? En toch lijkt het nu al zeker dat Kamasi Washingtons opus 'The Epic' te boek zal staan als een van de beste dingen die de jazz in 2015 overkomen is."
In deze aflevering van onze serie Jazz Class-X bespreekt Guy Peters de mastodontische debuutplaat van Kamasi Washington, de Californische saxofonist die werd onthaald als de nieuwe John Coltrane. 'The Epic' werd de beste jazzplaat genoemd sinds 'Bitches Brew' van Miles Davis. De hyperbool wordt in de journalistiek nu eenmaal vlot uit de kast gehaald. Toch lijkt de stelling dat we hier te maken hebben met een modern day jazz classic niet overdreven...
Jazz Class-X
Miles Davis - 'Birth Of The Cool' (Capitol Records, 1957) Opname: 21 januari & 22 april 1949 / 9 maart 1950
"Miles is onder de indruk van het werk van Gil Evans, bestudeert zijn arrangementen en treedt toe tot het selecte groepje muzikanten dat op regelmatige basis bij elkaar komt in het huis van Evans. Voor Davis gaat er een wereld open die aansluit op zijn eigen ideeën. Evans en Gerry Mulligan zijn dan al bezig met wat we later de cool jazz zijn gaan noemen. Het spreekt Miles bijzonder aan; nadat hij enige jaren in het kwintet van Charlie Parker heeft gespeeld wil hij zich verder ontwikkelen. De deels gecomponeerde, deels geïmproviseerde muziek, sluit qua structuur meer aan bij klassieke kamermuziek dan bij de zwarte jazz en blues en wordt gekenmerkt door aantrekkelijke melodieën en vernuftig in elkaar stekende harmonieën."
In deze aflevering van onze serie Jazz Class-X gaat Ben Taffijn in op het iconische album 'Birth Of The Cool' van het nonet van Miles Davis.
Jazz Class-X
Ornette Coleman - 'The Shape Of Jazz To Come' (Atlantic Records, 1959) Opname: 22 mei 1959
"In 1958 krijgt altsaxofonist Ornette Coleman zijn eerste platencontract bij het in Los Angeles gevestigde platenlabel Contemporary Records. Hij brengt er twee platen uit: 'Something Else!' met een kwintet en 'Tomorrow Is The Question' met een kwartet bestaande uit sax, cornet, bas en drums. Een bezetting die hij lang zal koesteren. In het voorjaar van 1959 stapt Coleman over naar Atlantic Records, waarvoor hij de opnames maakt die onder de titel 'The Shape Of Jazz To Come' de jazz ingrijpend zouden veranderen. Natuurlijk zijn de voorbodes van die revolutie op zijn eerste twee albums reeds duidelijk hoorbaar, maar op deze plaat is het verder gerijpt en uitgekristalliseerd."
In deze aflevering van onze serie Jazz Class-X gaat Ben Taffijn in op de impact van 'The Shape Of Jazz To Come', een plaat die bij verschijnen insloeg als een bom.
Jazz Class-X
Eric Dolphy - 'Out To Lunch!' (Blue Note, 1964) Opname: 25 februari 1964
Het is 25 februari 1964 als de dan 35-jarige Eric Dolphy in de legendarische Rudy Van Gelder Studio in Englewood Cliffs, New Jersey de vijf eigen composities opneemt voor het album 'Out To Lunch!': 'Hat And Beard', 'Something Sweet, Something Tender', 'Gazzelloni', 'Out To Lunch' en 'Straight Up And Down'. De plaat, het enige album bij Blue Note van Dolphy, slaat in als een bom, maar krijgt bij verschijnen de nodige slechte kritieken. Dolphy is zijn tijd duidelijk vooruit en wordt niet door iedereen even goed begrepen. Nu, ruim vijftig jaar later, begrijp je goed waarom. De opname klinkt immers meer als een album van nu dan als een album van een halve eeuw geleden.
In de eerste aflevering van onze nieuwe serie Jazz Class-X wordt dit album besproken en in historisch perspectief gezet door Ben Taffijn.