Cd
Carate Urio Orchestra - 'Cosmos' (Klein, 2022)
Opname: 19-21 april 2021
Bijna vijf jaar na 'Garlic & Jazz' is Joachim Badenhorst terug met een grondig hertimmerd Carate Urio Orchestra en een conceptplaat die hem verder dan ooit wegvoert van duidelijke genres. Tegelijk kan er geen twijfel over bestaan wie er hier aan het roer staat.
Dat genrelabels er eigenlijk niet toe deden, was al duidelijk met debuut 'Sparrow Mountain' (2013), terwijl het tweeluik 'Lover' en 'Lubljana', verschenen in 2016, de boel nog verder opentrok. Er werd geplukt uit jazz, improvisatie, pop, (post)rock, elektronica, melancholische marsen en volks- en kinderliedjes zonder al te veel belang te hechten aan hiërarchie. En dat werkte ook, met een stel ruimdenkende vertrouwelingen die samen een bont muzikaal kleurboek samenstelden. Van de kernbezetting blijven Badenhorst, bassist Brice Soniano en drummer Sean Carpio over. Ze krijgen nu gezelschap van Bert Cools (gitaar), Simon Jermyn (gitaar/basgitaar), Jeremy Thal (hoorn/trompet) en Liz Kosack (synth).
Het klankbeeld wordt wat elektr(on)ischer en vooral ook, de titel geeft het al aan, spacier. En dat is toepasselijk, want op maat van het concept. Dat Badenhorst werkt met een stevig uitgewerkt verhaal, is niet nieuw. Samen met met Mógil maakte hij enkele jaren geleden de audiofilm 'Adventa', die gebaseerd was op een naturalistisch kortverhaal van Gunnar Gunnarson. 'Cosmos' gooit het over een andere boeg en vertelt - ga er even voor zitten - het verhaal van Doug, die samen met drie kikkers, twaalf varensoorten en dertien mossoorten in een moeras in een met glas omhulde biosfeer door de ruimte zweeft.
Het is een vorm van escapisme die om een ongebreidelde muzikale fantasie vraagt, en dat is exact wat je te horen krijgt in deze elfdelige vertelling. En dat kan je letterlijk nemen, want naast wat zangpartijen hier en daar krijg je met mondjesmaat ook het verhaal te horen via verteller Jeremy Thal, die niet alleen personages en setting voorstelt, maar ook de onderlinge samenhang van het album onderstreept. Die rode draad is er ook muzikaal, ondanks het feit dat het uitwaaiert in allerlei richtingen, van toonzetter 'Outer Space' tot de vele omzwervingen via grillige elektronische vervormingen, statige melodieën en zacht ontvouwende brokken lyriek.
Het had kunnen uitmonden in protserige bombast, maar die valkuil wordt behendig ontweken. Luister naar de manier waarop de ontbeende groove van 'A Tear Fell From The Forlorn Sky' dromerig dobbert en een kamerbrede grandeur neerlegt. Het herinnert aan de meeslepende liederen die regelmatig opduiken in de vorige albums en concerten van de band, momenten waarop je ineens beseft dat ze je te pakken hebben. Vergelijkbare tactieken duiken ook op in 'It Was Just The Beginning For Them', 'The Frog Choir', dat even klinkt alsof je twee songs door elkaar hoort en ineens verrassend funky wordt, of 'Some 100.000 Years', waarin Badenhorst zijn meesterschap op de klarinet laat horen.
Maar er valt zoveel te beleven op deze reis, die regelmatig iets heeft van een delirische trip, zoals in 'Little Floating Biosphere', dat verankerd is in de kosmische traditie van de jaren zeventig, het met huilende effecten gevulde 'Holy Book', of het kinderlijk startende 'Mechanical Pencils', dat in z'n tweede helft zowaar doet denken aan de ongebreidelde verbeelding en emotie van Robert Wyatts 'Rock Bottom'. Of 'Doug', iets tussen stuiterende indiepop en in duistere schaduwen gehulde soundscape met een energieke herneming van staccato steekspelletjes in de finale. Het slingerende 'Lil’ Doug' voert je weer naar het uitgelaten-melancholische fanfareterrein dat je zachtjes richting uitgang begeleidt.
'Cosmos' is misschien wel de moeilijkst te omschrijven Carate Urio Orchestra-plaat tot nog toe. Minder uitgesproken in z'n temperamenten en stilistische contrasten dan de vorige albums, maar net daardoor ook homogener dan ooit tevoren. Tegelijk bewaart ook dit septet de verwondering, openheid en breekbaarheid die eerdere gedaantes zo charmant maakten. Geen enkele band in deze contreien klinkt tegelijk zo spannend, sereen, statig en speels, zo far-out en zo persoonlijk, zowel surrealistisch als herkenbaar. Een album dat tijd en wat moeite vergt, maar die investering beloont met het besef dat er hier iets bijzonders aan de hand is.
Deze recensie verscheen ook op Enola.be
Labels: Carate Urio Orchestra, cd
(Guy Peters, 20.4.22) - [print]
- [naar boven]
Lp
Carate Urio Orchestra - 'Garlic & Jazz' (KLEIN, 2017)
Wat met 'Sparrow Mountain' (2013) begon als iets dat zeker geen lang leven beschoren was, of toch zo leek (zeven verschillende nationaliteiten in één band, begin maar eens), is intussen uitgegroeid tot een verhaal dat even onwaarschijnlijk als fascinerend is. Na 'Lover' en 'Ljubljana' verschijnt nu het derde album van het Carate Urio Orchestra in een goed jaar, dat nog maar eens laat horen dat het ensemble intussen zijn compleet unieke hoekje afgebakend heeft. Alhoewel, afbakenen, daarvoor heb je eigenlijk grenzen nodig...
De bezetting is hier die van 'Lover' (wat betekent dat trombonist Sam Kulik trompettist Eiríkur Orri Ólafsson vervangt), maar de CUO-discografie is eigenlijk een bontgekleurd geheel waar een paar constanten doorheen waren. Dat wankele gevoel dat het boeltje op elk moment in elkaar kan stuiken is misschien wel wat weggeëbd, maar er wordt nogal altijd gemusiceerd met ruwe kantjes, spontane interactie en een haast kinderlijke onbevangenheid, die de belofte van verrassingen inhoudt. En bestreek de band in het verleden al een enorm stilistisch en dynamisch oppervlak, van breekbare pop tot uit z'n voegen barstende onheilsmuziek en zowat alles daartussen, dan worden nu weer wat tinten aan het palet toegevoegd.
'Garlic & Jazz', zo genoemd naar een reeks door Badenhorst georganiseerde evenementen, verschijnt opnieuw op zijn eigen Klein-label, en is enkel als vinylplaat en download te verkrijgen. Dat zorgt ervoor dat het een relatief kort album werd (een goed half uur), waarvan elke helft uit twee delen bestaat. 'Mosselman/The Salt Of Deformation' begint in abstracte modus, met een geluidensoep zonder duidelijke richtingaanwijzer. Het is een gegrom en gekreun van snaren, percussie, blaasinstrumenten en ruisende/krakende elektronica, waaruit na enkele minuten meer vorm opstijgt via lyrische lijnen van Kuliks trombone en Frantz Loriots zingende altviool. Zodra Badenhorsts zang opduikt, krijgt het een ritualistisch, zelfs sjamanistisch sfeertje.
Het tweede luik zal misschien bekend in de oren klinken voor wie Badenhorsts gelijknamige album met Dan Peck kent. Het is hier dat het samenspel gebalder en donkerder wordt, gestuwd naar een dense wall of sound waar de meest uiteenlopende fantoomklanken in opduiken. Door de explosie van grandeur en het gebruik van toetsen heeft het zelfs iets van de kolkende finales waarmee concerten van Yodok III soms eindigen. Behoorlijk verbluffend. En het zet je ook totaal op het verkeerde been voor de B-kant van de plaat.
Daar begint Kulik aan 'Portsmouth, 1783' met een gitaar en een bariton die verdacht veel op die van Howe Gelb lijkt aan een stukje singer-songwriterambacht, waarvan de tekst uit een dagboek van tweehonderd jaar geleden weggeplukt lijkt. Het simpel verhalende wordt ingebed in statige ondersteuning die vervolgens helemaal openbloeit met een hartverwarmende, gulle schoonheid die je alleen bij dit orkest hoort.
Slotstuk 'On Est Un' start met ronkende lijnen van basklarinet en trombone, tot de fragiele zang van Brice Soniano opduikt. Het is een opvallend dromerige sound, tot ineens een krachtig, kringelend gitaarmotief opduikt, dat samen met een speels ritme ervoor zorgt dat het ensemble de Afrikaanse zon in gesleurd wordt. Daar wordt een aanstekelijke, warmbloedige dans uitgevoerd, die de band feestelijker dan ooit doet klinken. Nogal een verschil met de duistere beelden van diepe vergeetputten die op Ljubljana soms opdoken, maar dat is net onderdeel van de charme van de band. Kortom: wat begon met een moeilijk te plaatsen, maar knappe plaat, is intussen uitgegroeid tot een universum dat zijn volledige reikwijdte duidelijk nog niet prijsgegeven heeft. Er staan ons nog heel, heel mooie dingen te wachten als dat zo verder gaat.
Deze recensie verscheen ook op Enola.be
Klik hier om het album te beluisteren.
Labels: Carate Urio Orchestra, lp
(Guy Peters, 14.5.17) - [print]
- [naar boven]
Cd
Carate Urio Orchestra - 'Lover' (Klein, 2016)
Opname: februari 2015
Joachim Badenhorsts Carate Urio Orchestra heeft zich de afgelopen jaren ontpopt tot een van de meest bijzondere experimentele groepen van België. In 2013 zag 'Sparrow Mountain' het licht en nu ligt er 'Lover'.
Reeds met 'Preacher' is het raak. Het septet produceert hier een vreemde, tegendraadse klanksculptuur met een industrieel karakter. Om vervolgens met 'Ar Antiphon' een absoluut totaal andere weg in te slaan - ook dit is Carate Urio Orchestra. Sean Carpio zingt met prachtige stem een ballad, zichzelf op gitaar begeleidend. Een nummer dat op een singer-songwritersalbum niet had misstaan. Op de achtergrond klinkt intussen een soort van omgevingsruis steeds dominanter, tot het Carpio eenvoudigweg naar de achtergrond drukt en het nummer eindigt in een ware kakafonie. Het contrast met het begin kan daarmee niet groter zijn. 'Iron Bird' is daarentegen weer te betitelen als een hulde aan het minimalisme. Snaren en slagwerk zetten hier samen de toon in een compositie waarin repeterende klanken centraal staan.
'Lover', het titelnummer, is een verhaal apart. Een wereld van invloeden vinden we hier terug: vleugjes funk, zang van Badenhorst – maar dan met een voicedecoder zodanig vervormd dat het meer op science fiction lijkt - en prachtige, bijna romantische blazerslijnen van trombonist Sam Kulik. En opvallend: het nummer stopt midden in de melodie, alsof Badenhorst het wel weer genoeg vond met al dat poppy gedoe. Tijd weer voor het echte werk, 'Crazy Wind Laid Down' geheten. En zo'n titel schept natuurlijk verwachtingen. We stappen dan ook een unheimische klankwereld binnen en worden door dit septet meegenomen de kale vlakte op, om daar in het donker een partijtje te gaan staan verkleumen. Nee, dan klonk 'Lover' toch een stuk gezelliger! Want hier giert de wind, kraakt de oude schuur waarin we onderdak hebben gezocht vervaarlijk en is het schrale melodietje dat Badenhorst blaast het enige dat nog een beetje troost biedt. Hoezo is de wind gaan liggen?
In dit steeds wisselen van klankwerelden past ook 'Feet History', een compositie van gitarist Nico Roig. Hier 'gewoon' een melodie uit één stuk, met een kop en een staart, ritmisch en een kruising tussen jazz, Americana en folk, waarbij Roigs gitaarspel leidend is. Bij afsluiter 'Fremdenzimmer' mag de klemtoon liggen op het eerste samenstellende woord. Hier klinken weer de onderaardse noisegeluiden die we reeds eerder voorbij hoorden komen, nu vergezeld van een ritme dat wel wat weg heeft van een tikkende klok. En passant wordt er vervolgens heel stemmig geblazen en gezongen. Ietwat getergd klinkt Badenhorst, waarbij hij wordt ondersteund door het achtergrondkoor bestaande uit de overige musici. Een indrukwekkend slot. Ook dat is het Carate Urio Orchestra.
Na beluistering van dit album kunnen we concluderen dat hier een bijzonder werkstuk ligt. Eclectisch en getuigend van een bijzonder muzikaal gevoel. Zelden hoor je zoveel muzikale werelden op één album, zonder dat dit leidt tot de bekende ratjetoe. Integendeel, 'Lover' is niet minder dan een meesterwerk dat we gerust nu al tot een van de beste platen van 2016 kunnen rekenen.
Klik hier om twee tracks van dit album te beluisteren: 'År Antiphon' en 'Fremdenzimmer'.
Labels: Carate Urio Orchestra, cd
(Ben Taffijn, 21.3.16) - [print]
- [naar boven]
Lees verder in het archief...