Draai om je oren
Jazz en meer - Weblog





 




In memoriam / The Jazztube
Billy Taylor


Op 89-jarige leeftijd is op dinsdag 28 december 2010 pianist Billy Taylor in New York aan een hartinfarct overleden.

Billy Taylor, die in Greenville, North Carolina, geboren werd, werd door zijn ouders enorm gestimuleerd piano te spelen. In 1942 behaalde hij zijn diploma 'B.S. in Music' aan het Virginia State College. In 1944 vestigde hij zich in New York. Daar startte zijn professionele carrière in het kwartet van Ben Webster. Vanaf die tijd is hij een veelgevraagd pianist en speelt hij in de groepen van onder anderen Dizzy Gillespie, Coleman Hawkins, Roy Eldridge, Jo Jones, Artie Shaw en Cozy Cole. Ook doet hij solo-optredens. In 1949 werd hij gedurende twee jaar huispianist van de legendarische jazzclub Birdland. Hij begeleidde in die tijd al de belangrijke moderne en bebop jazzmusici, zoals Charlie Parker, Miles Davis, Stan Getz, Milt Jackson en Art Blakey.

Vanaf begin jaren vijftig nam hij talloze trioplaten op voor belangrijke labels als Prestige, Riverside, Mercury en Capitol. Ook speelde hij mee op platen van Quincy Jones, Eddy 'Lockjaw' Davis, Lucky Thompson en Dinah Washington. Taylor had inmiddels een behoorlijke reputatie verworven en behoorde tot één van de betere mainstream jazzpianisten. Daarnaast gaf hij lezingen. Hij werd een krachtige promotor van de jazz. Taylor zette zich in jazzmusici te laten optreden voor radio en tv. In 1958 werd hij Musical Director van de NBC en produceerde hij de dertiendelige televisieserie 'The Subject Is Jazz'.

In de zestiger jaren werkte hij regelmatig met zijn eigen trio en had hij een dagelijkse radioshow voor het New Yorkse WLIB. In 1964 richtte hij de Jazzmobile op, een organisatie die zich bezighoudt met het organiseren van openluchtconcerten, workshops en educatieve programma's. De opzet hiervan is om jazz in de straten van Harlem te brengen. De concerten zijn een groot succes en brengen duizenden toehoorders op de been. In 1975 behaalde Taylor zijn doctorgraad aan de uiniversiteit van Massachusetts. Vanaf 1981 presenteerde hij jazzprofielen voor CBS Sunday Morning Television.

Naast zijn belangrijke educatieve activiteiten bleef Taylor optreden en maakte hij met zijn trio nog vele plaatopnamen in de laatste decennia. Hoewel geen vernieuwer, was hij een zeer talentvolle, elegant swingende pianist die zowel bebop als modernere stijlen in zijn spel incorporeerde.

Bekijk de Jazztube!
De Jazztube is afkomstig uit een aflevering van 'The Subject is Jazz' uit 1958. De educatieve kwaliteiten van Billy Taylor komen naar voren in een les over jazzimprovisatie, op basis van de nursery rhyme 'Three Blind Mice'. Naast Taylor zien en horen we Doc Severinsen (trompet), Jimmy Cleveland (trombone), Tony Scott (klarinet), Mundell Lowe (gitaar), Ed Safranski (bas) en Osie Johnson (drums). Klik op de afbeelding linksboven om het filmpje te starten.

Labels:

(Jacques Los, 30.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Met Desandann naar de wortels van jazz en latin

Grupo Vocal Desandann (Creole Choir Of Cuba), donderdag 23 december 2010, De Lawei, Drachten

Desandann is Creools voor 'afstammelingen'. De tien leden van wat in de volksmond het Creole Choir Of Cuba heet, zijn de afstammelingen van de Haïtianen die vanaf eind achttiende eeuw in een aantal golven op het oostelijk deel van Cuba belandden. Voor de ontwikkeling van jazzmuziek is met name de eerste golf van belang geweest. Dat waren de slaven die met hun meesters meekwamen, op de vlucht voor de grote slavenopstand die van Saint Domingue het eerste vrije eiland Haïti maakte. Door de Spaanse overheersers werden die voor het merendeel weer van Cuba verdreven. Duizenden streken uiteindelijk neer in het Vieux Carré van New Orleans, waar ze een centrale rol gingen spelen in de wekelijkse slavendansen op Congo Square. Iets van die Latin tinge moet in die stad zijn blijven hangen; pianist en componist Jelly Roll Morton, die zelf Haïtiaanse wortels had, pikte de vibe een eeuw later weer op.

Toen Cuba begin jaren negentig van de vorige eeuw te kampen kreeg met de economische naweeën van de instorting van de Sovjet Unie, besloot Emilia Diaz Chavez, de leidster van het provinciale koor van Camagüey, een zanggroep te formeren die de wortels van de Cubano-Haïtiaanse zangkunst moest exploreren: Grupo Vocal Desandann. Voertaal werd vanzelfsprekend het Creools, de lingua franca die in de eerste helft van de achttiende eeuw ontstond en gesproken werd (en ten dele nog altijd wordt) in het gehele Caribische gebied, het noorden van Zuid-Amerika en het zuiden van Florida en Louisiana.

In de liedjes van de Grupo Vocal duiken Franse, Spaanse en Engelse termen en woordjes op, net genoeg om net niet te begrijpen waar ze over gaan. Ja, over de liefde, over slavernij, da's niet zo moeilijk. Het ritme wordt geleverd door twee kleine congatrommels en een koebel, en we horen verschillende claves de revue passeren. Het ritme zit ook in de zang zelf. Dat begint meteen in het openingsnummer, 'Edem Chanté', waarin de koorleden een tienkoppige human beatbox vormden. De basstem fungeerde, om in percussieve termen te blijven - en aangezien we toch transcultureel bezig zijn - als talking drum. Er wordt polyfoon gezongen, wat de verrichtingen van het koor onweerstaanbaar maakt.

De ritmische herhalingen werken soms een lichte trance in de hand. Je kunt je voorstellen hoe een voodooritueel je na een uurtje of drie in zijn greep heeft. (Terwijl je er toch al niet uitziet, met al dat bloed en die kippenveren.) Een enkele keer suggereert een mild scabreuze dans de volstrekte overgave aan Eros en Bacchus die daarmee gepaard kon gaan. Brr, afschuwelijk! Aah, heerlijk!

(Eddy Determeyer, 29.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Ab Baars - 'Time To Do My Lions' (Wig, 2010)

Opname: april/november 2008

De nieuwe soloplaat van Ab Baars is eindelijk gearriveerd. Eindelijk, omdat het album al sinds begin 2009 stond aangekondigd op de website van Stichting Wig, de organisatie waarbinnen Baars en zijn partner Ig Henneman hun muzikale activiteiten kaderen. De titel van zijn nieuwe worp, 'Time To Do My Lions' werd ontleend aan een gedicht van Anne Carson, dat vertelt over de Japanse kunstenaar Hokusai, die in de herfst van zijn leven elke dag een leeuw tekende uit angst voor het naderende einde. De Nederlandse rietblazer schetst op 'Time To Do My Lions' echter geen leeuwen, maar muzikale portretten van plaatsen en individuen die hem in zijn leven inspireren.

Conceptueel verandert er dus weinig in vergelijking met Baars' vorige soloplaat 'Verderame' uit 1997, die met stukken over onder meer Han Bennink, John Carter en Misha Mengelberg ('Gammer' is hier opnieuw van de partij) een gelijkaardige inhoud kent. De grote nieuwigheid situeert zich op instrumentaal vlak. Naast de vertrouwde tenorsax en klarinet heeft Baars de voorbije jaren namelijk een nieuw instrument in zijn werk geïntroduceerd: de shakuhachi. Hij leerde deze traditionele bamboefluit bespelen bij Takeo Yamashiro, die in het stuk '730 Union Street' wordt geëerd. Ook in 'Nisshim Joma' is hij te horen op de shakuhachi. De nerveuze opdringerigheid die het klarinet- en saxofoonspel van Baars typeert, lijkt op dit instrument helemaal verdwenen. Een fluit vergt dan ook een andere aanpak dan zijn vertrouwde rietinstrumenten, wat zich hier onder meer vertaalt in het exploreren van allerlei neventonen.

Naar eigen zeggen heeft de shakuhachi Baars' manier van spelen op de andere instrumenten sterk beïnvloed. Zijn karakter blijkt op 'Time To Do My Lions' daarentegen nog even eigenwijs als vroeger. Zo neemt hij nog steeds geen genoegen met voor de hand liggende oplossingen. Het buigen van tonen via een onregelmatig vibrato – misschien is het eerder een sterk en bewust afwijken van de zuivere noten – en een benepen klank op tenorsax voorkomt regelmatig dat zijn muziek mooi kan worden genoemd. Maar er zijn nog andere facetten aan zijn spel, die op de verschillende stukken van deze plaat beurtelings op de voorgrond treden. In 'Watazumi Doso' haalt hij een uiteenlopend gamma aan klanken uit zijn sax, niet zozeer door het gebruik van onconventionele technieken, maar wel door de diverse manieren van aanblazen. Zo genereert Baars enkele onwaarschijnlijke zachte kleuren die men niet van de sterke rietklank zou verwachten.

De invloed van de shakuhachi is er dus wel degelijk, al lijkt dat vooral het geval voor zijn spel op tenorsax. Als klarinettist neigt Baars nog steeds naar een van grote voorbeelden, John Carter, bij wie hij eind jaren tachtig ging studeren. De sterke glissandoloopjes en krachtige klankstoten zijn te horen in de titeltrack en 'Purple Petal', maar de voor de Nederlander typische onvaste toon is ook hier aanwezig.

Ondanks allerlei gemeenschappelijke kenmerken in verschillende tracks heeft elk stuk, in lijn met het concept, een opvallend eigen karakter: hardnekkig staccato in het aan Mengelberg opgedragen 'Gammer', een wervelwind aan indrukken in 'Ritratto Del Mare A Anzio' (over een Italiaans vissersdorp waar Baars en Henneman vaak vertoefden) en percussieve free-jazz uitspattingen in 'The Rhythm Is In The Sound', dat dankzij het ostentatief gebruik van de saxofoonkleppen een geslaagde ode is aan het drumspel van Sunny Murray.

Alles bij elkaar is 'Time To Do My Lions' een mooie verzameling muzikale portretten, die - hoewel het slechts af en toe echt uitzonderlijk wordt - toch een waardevolle aanvulling is op de schaarse solo-output van de Nederlandse rietblazer.

Deze recensie verscheen eerder op Kwadratuur.be

Meer horen?
Op deze
pagina kun je van dit album de track 'Gammer' beluisteren.

(Joachim Ceulemans, 28.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Twee trio's vormen een bruisend sextet

Veenendaal, Kneer & Sun + Matthieu Donarier Trio, zaterdag 18 december 2010, SJU Jazzpodium, Utrecht

De twee trio's die zich op het Utrechtse jazzpodium presenteerden, zijn van een gelijk kaliber. Beiden produceren een avontuurlijke, uitgeschreven muziek met ruimte voor individuele improvisaties en de solo's van ieder afzonderlijk zijn van grote klasse.

Voor de pauze speelden beide formaties afzonderlijk een korte set. Het trio van Veenendaal, Kneer & Sun opende het programma met composities van pianist Albert van Veenendaal en bassist Meinrad Kneer. Klassiek, groovy jazz, maar ook rockelementen waren vertegenwoordigd in de stukken. De diversiteit van de muziek, het hechte samenspel, de voortreffelijke solo's van Van Veenendaal en Kneer, en het muzikale en stuwende drummen van Yonga Sun leverden een kort maar boeiend concert op.

In het laatste nummer van dit trio werd het podium achtereenvolgens eerst door tenor- en sopraansaxofonist Matthieu Donarier en later door gitarist Manu Codjia en drummer Joe Quitzke ingenomen. Ten opzichte van Van Veenendaal en co opereerde het trio van Donarier weliswaar in hetzelfde idioom, zij het wat vrijer. Dat betekende dat er meer ruimte beschikbaar was voor uitgebreide solo's. Vooral Donarier imponeerde door melodieus en virtuoos te improviseren. De combinatie saxofoon en gitaar - met behulp van elektronische elementen - creëerde interessante en spannende soundscapes.

Na de pauze bevolkten beide groepen het podium en dat werd een feest. Zonder afstand te nemen van het geschreven materiaal, werd er meer ruimte genomen om te soleren. Vooral Albert van Veenendaal had zeer inspirerende momenten. Hij hamerde 'Cecil Tayloriaans' op de piano in afwisseling met snelle, felle, virtuoze single-note lijnen. Gitarist Codjia soleerde heftig met een rockgeluid en enkele blueslicks. Donarier, die op de tenorsax een prettig sonoor geluid had, blies fraaie eigentijdse lijnen in combinatie met razendsnelle loopjes. Dit alles werd in toom gehouden door de twee – elkaar goed aanvullende – drummers en de swingende en ronkende bas van Meinrad Kneer.

De twee trio's vormden aldus een sextet dat alle afzonderlijke kwaliteiten verenigde tot een sublieme eenheid, waarin avontuurlijk geschreven hedendaagse jazz en moderne improvisatie tot een uitzonderlijke luisterervaring leidde.

Klik hier voor een fotoverslag van dit dubbelconcert door Maarten Jan Rieder.

(Jacques Los, 28.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Sidney Bechet - 'The Best Of Sidney Bechet' (Blue Note Records, 2009)

Opnamen: 1949-1953

We vergeten wel eens dat Blue Note, dat emblematische label voor moderne jazz, gedurende de eerste acht jaar van zijn bestaan gefocust was op traditionele muziek in het New Orleans-idioom. De onderhavige driedubbel-cd, met opnamen uit de periode 1939-1953, is daar een voorbeeld van.

Om een aantal redenen is dit album belangwekkend. Het bevat een van de eerste opnamesessies voor Blue Note, we horen de eerste hit voor het label ('Summertime') en het illustreert de overgang van swing naar revival jazz.

Zelf heb ik een duidelijke voorkeur voor het oude swingwerk, uit 1939-44. Daarna slaat het dixielandvirus toe, met zijn opgefokte tempi, zijn oververhitte collectieven en zijn eindeloze 'Tiger Rags' en 'That’s A Plenty's. Ook dan zijn er nog wel memorabele momenten; trompettist Max Kaminsky die in 'Jackass Blues' à la Cootie Williams growlt, klarinettist Albert Nicholas die in Bechets 'Fantasy' de leider (op sopraansax) als een schaduw volgt, of het aanstekelijke 'Joshua Fit The Battle Of Jericho'.

Maar die latere opnamen halen nergens de intensiteit van de Port Of Harlem Seven uit 1939 of de verwoestende kracht van Bechet in diens kwartetopnamen van een jaar later. Daar is de sopraansaxofonist op zijn best, met zijn luie timing, een ontspannen speelwijze die, heel paradoxaal, een grote spanning creëert. In alle registers speelt hij even superieur en ook over zijn begeleiders niets dan lof.

Deze recensie verscheen eerder in Jazz Magazine.

(Eddy Determeyer, 28.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Een droom die verbindt

Spices Of Zanzibar met Jeroen van Vliet, vrijdag 26 november 2010, Global Village Festival, De Lieve Vrouw, Amersfoort

Seit mehr als zehn Jahren schon bietet das Global Village Festival die Möglichkeit, Bekanntschaft mit der Musik aus aller Herren Länder zu machen. Sei es in kleinen Formationen oder in groβen Bands, es steht immer die Entdeckung der kulturellen Vielfalt im musikalischen und menschlichen Sinn im Vordergrund.

Konzertpianist und Komponist Jeroen van Vliet war dieses Jahr eingeladen, um das Eröffnungskonzert zu geben. Aus diesem Anlass hat er sich, wie er selbst sagt, seine Traumformation zusammengestellt. Dieser Traum und einzigartigen Begegnung bestand aus Bao Sissoko - Kora (Senegal), Jeroen van Vliet - Klavier, Keyboards, Komposition (Niederlande), Simin Tander - Gesang (Afghanistan/Deutschland), Raphaela Danksagmüller - Duduk, Bass-Blockflöte (Österreich), Brice Soniano - Bass (Frankreich), Afra Mussawisade - Perkussion (Iran/Deutschland) und wurde Spices Of Zanzibar getauft.

Spannend die Tatsache, daβ sich einige der Musiker zuvor nicht kannten und zum ersten Mal miteinander Musik machten. So begann das Konzert sehr konzentriert, von routinierter Gefälligkeit keine Spur. Man hörte einander aufmerksam zu und lernte sich dadurch kennen. Zurückhaltend, beinahe zögerlich ging Van Vliet seine Kompositionen an und lieβ seinen Begleitern den Freiraum ihre Position zu finden. Geklickt hatte es ohnehin schon 'unüberhörbar' zwischen ihnen.

Die Stimmakrobatin Simin Tander überzeugte und fesselte mit ihren stimmlichen Eskapaden und traditionellen Volksweisen. Virtuos begleitet wurde sie auf Duduk und Bass-Blockflöte durch Raphaela Danksagmüller und Bao Sissoko mit seiner 21-saitigen Harfe. Danksagmüller gab mit ihrem Spiel Einblick in die Sentimentalität der armenischen Musik, zugleich kam durch Sissoko die Schönheit der Musik Senegals zur Geltung.

Afra Mussawisade, von Hause aus Experte der klassischen persischen Perkussion, würzte das Ganze mit seiner grenzüberschreitenden Weltmusik. Viele Trommelstile vereinigte er und bildete so mit seinem Spiel eine unsichtbare Schnittstelle der Kulturen. Die feinfühlige und moderne Spielweise des Bassisten Brice Soniano war ein schöner Gegenpol zu afrikanischem Rhythmus und der Melancholie des Morgenlandes. Er spiegelte mit seinen Improvisationen die Schwerpunkte des derzeitigen europäischen Jazz wieder, der durchaus sensibel und experimentell ist.

Jeroen van Vliet hat an einem Traum teilhaben lassen, der verbindet: der respektvolle und herzliche Umgang mit den Kulturen. So wie es sich gehört.

(Sabine Fleig, 25.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Wadada Leo Smith & Ed Blackwell - 'The Blue Mountain’s Sun Drummer' (Kabell Records, 2010)

Opname: 23 oktober 1986

The most magnificent moment of this year's Vision Festival was the duet between Wadada Leo Smith and Günter 'Baby' Sommers, not only because of the fabulous playing and interaction of both musicians, but also because the trumpeter has made this format one of his own, delving into the possibilities and expanding them over the years. Lately his stellar 'America' with Jack DeJohnette, his equally excellent 'Wisdom In Time' with Günter Sommers, or his more meditative 'Compassion' with Adam Rudolph.

Here we find him again in excellent company, with Ed Blackwell no less, the fabulous free jazz drummer who laid the foundations for his instrument's new role with the Ornette Coleman bands and Old & New Dreams. Like with Don Cherry on the historic 'Mu', he is possibly the best partner for this kind of endeavor and also for Smith's concept of music: it is freedom while being based in African rhythms, blues and jazz. Blackwell is incredibly creative and expressive, adding little touches, shifting meters, reorganising the beats constantly, actively shaping the overall sound and melody. Just listen closely to the album's title track if you want to be convinced.

The title track also figured on the album with Jack DeJohnette as 'Ed Blackwell, The Blue Mountain Sun Drummer'. It's interesting to compare both performances: not only the difference in approach by both drummers - equally stunning, with DeJohnette having a lighter touch, more cymbal work, steadier in the rhythm, and Blackwell using his polyrhythmics on his toms without losing the beat, more African, but Smith's tone has also changed, become deeper, richer over the years, but interestingly his improvisational skills and his capacity of positioning the composition - of putting it right there in front of your ears as if there was no other choice for it to sound that way, despite the endless possibilities - are still there.

Wadada Leo Smith plays some of the tunes from his 'Kulture Jazz' album, which was released on ECM in 1995: the bluesy song 'Don’t You Remember', 'Uprising' and 'Albert Ayler In A Spiritual Light'. This also demonstrates how Smith nurtured his own ideas and compositions over the years and decades even. Smith's trumpet playing is incredibly good as can be expected: he can be intimate and sensitive and bluesy, but he can also be expansive, jubilant and soaring.

The performance was recorded live on October 23, 1986 at Brandeis University, Massachusetts. That's 24 years ago. The sound quality is excellent. How fantastic that we get to hear this. I hope there are still more gems in a drawer somewhere.

This record is highly recommended. Listen to this and you will feel so refreshed.

Deze recensie verscheen eerder op
Free Jazz.

Meer weten?
Onze recensie van 'Wisdom In Time' van Wadada Leo Smith & Günter Sommer.
Onze recensie van 'Compassion' van Wadada Leo Smith & Adam Rudolph.

(Stef Gijssels, 25.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Ontembare natuurkracht

The Thing, vrijdag 3 december 2010, AB, Brussel

Toen rietblazer Mats Gustafsson een verbond aanging met de ritmetandem Ingebrigt Håker-Flaten en Paal Nilssen-Love, stond één ding vast: het zou knallen. En ja hoor: het werd forse fire music, die aanvankelijk sterk geënt was op de 60's-platen van Albert Ayler en Don Cherry, met hectische hoogstandjes vol bluesy geblaat, en later meer aansluiting zocht bij de rock-'n-roll en het experiment.

De band werkte samen met Ken Vandermark en Joe McPhee, maar ook met rockers die niet vies zijn van wat experiment, zoals The Ex en Jim O'Rourke. Het is daarom ook jammer dat de band niet kon rekenen op een grotere interesse van dat publiek, want hij heeft de bagage, de energie en de attitude die rockliefhebbers definitief over de streep kunnen trekken. Het bleef dus bij prediken voor eigen parochie, al heb je altijd te maken met een rauwe ideeënvloed uit de onderbuik. Dat werd al duidelijk toen Nilssen-Love en Gustafsson een korte introductie gaven als Splatter.

De Zweed deed het met zijn bariton en de Noor met niet meer dan een hihat, een snaredrum en een hoop speeltjes, maar dat was meer dan voldoende om de aandacht vast te houden. Uit die bariton komen immers klanken waar je een lichtgelovig mens de stuipen mee op het lijf jaagt. Gustafsson gooit er de beuk in, stoot gutterale klanken uit, gebruikt zijn tongue slapping en de rest van zijn aanzienlijke arsenaal. En Nilssen-Love, vaak op zijn best in dergelijke context, zat erbij met de kenmerkende verbeten trek om de mond, spelend met ritmes en klanken, met nuances en kabaal.

The Thing liet de elektronica achterwege die op zijn laatste werk te horen was, om uit te pakken met pure energie en rauwe interactie. Gustafsson startte op tenorsaxofoon, maar zou afwisselen met zijn baritonsax, en bleef de hele tijd op en af wiegen als een roofdier dat op het punt staat zijn prooi te bespringen. Nilssen-Love startte die eindeloze roffelsessie - een onaflatende wervelwind die een onvermoeibare drive en volume creëert - en Håker-Flaten, eigenlijk maar een klein opdondertje, ging zijn contrabas met zo'n venijn te lijf, dat je je afvroeg hoe lang die snaren bestand zouden zijn tegen zo'n verwoed gepluk. Toch speelde hij ook melodieus, zoals in de opener die gebaseerd leek op McPhee's klassieker 'Nation Time'.

Een bassolo zorgde voor de overgang naar het tweede stuk, dat nog maar eens aantoonde dat de band haast evenveel met rock als met jazz gemeen heeft. Gustafsson speelde drie noten en bleef die steeds opnieuw uitvoeren. Het is the oldest trick in the book, maar de manier waarop Nilssen-Love steeds dichter tegen de chaos ging aanleunen en de saxofonist steeds dissonanter en wilder ging spelen, was ronduit meesterlijk en liet horen dat aan hun muziek ook een fabuleuze interactie ten grondslag ligt.

The Thing speelde ontspannen en complexloos, en tot op het moment dat we vroegtijdig het concert moesten verlaten, had het trio vrijwel nog geen steek laten vallen en werd de reputatie van ontembare natuurkracht volledig waargemaakt. Het is dan ook dubbel jammer dat zo weinig mensen de weg naar de AB vonden, want deze band kan ongetwijfeld voor een WOW!-ervaring zorgen.

(Guy Peters, 24.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Veel lucht in stukken Ig Henneman

Ig Hennemans Kindred Spirits, dinsdag 14 december 2010, Grand Theatre, Groningen

De stukken van altvioliste Ig Henneman lossen vaak ijl op in de ether en vervolgens blijft het dan nog een paar seconden stil. Je zou het bijna als een statement kunnen opvatten. Dat etherisch karakter is karakteristiek; er zit veel lucht in haar werk. Soms zitten we tegen de grens dat je je eigen bloedbaan hoort ruisen en de moleculen in je oor stoeien. En dat vacuüm dat resteert als de noten zijn verstorven is het wit waarbinnen het gedicht gedijt, de lijst waarin de tekening spreekt.

De bronnen van Kindred Spirits zijn divers. Het is impro die leent van klassieke en hedendaagse kamermuziek, van rock en van kinderliedjes. Dat laatste was het geval in 'Moot', waarin een simpel motiefje in allerhand gedaanten opdook uit en wegschoot in een vrije wolk. 'Toe And Heel' sloeg op de voetpedalen van een pijporgel – ook zo'n beeld uit de rijke Roomse kinderjaren. De combinatie trompet-tenorsax-basklarinet kwam inderdaad in de buurt van zo'n machtig gonzend en galmend kerkorgel.

Voor 'Cut Your Capers' ging Henneman nog wat verder terug, tot in de middeleeuwen namelijk. Het werd een boerendansje met dwaze pasjes en malle sprongetjes, getuige ook de verschillende ritmes die door het ensemble aan het zwerven sloegen. "Mijn grootmoeder kwam uit Bedum," voegde de kapelmeesteres er ter verklaring aan toe.

Bij wijze van afwisseling speelden tenorist Ab Baars en (schuif)trompettist Axel Dörner een duet, waarbij die laatste een tropische lentebui op een zinken dak evoceerde. Maar de solist die de meeste indruk maakte, was pianiste Marilyn Lerner. Bescheiden in het ensemblespel bewees ze in haar inventieve en uitgewogen solo's, dat het binnenwerk van de vleugel evenmin geheimen voor haar had als het toetsenbord (en de pedalen, niet te vergeten). Donderende clusters werden afgewisseld met bescheiden getrippel van kleine knaagdieren – soms in één adem.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Willem Schwertmann.

(Eddy Determeyer, 23.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Art Blakey & The Jazz Messengers – 'The Sesjun Radio Shows' (Out Of The Blue, 2010) 2 CD

Opnamen: 1978, 1980 & 1983

In de vijftiger jaren werden de Jazz Messengers opgericht door pianist Horace Silver en drummer Art Blakey. Toen Silver in 1956 een eigen groep startte, liet hij de naam aan Blakey, die vanaf toen tot aan zijn dood doorging met Art Blakey and the Jazz Messengers. De Messengers behoren tot één van de meest succesvolle formaties – ook commercieel gezien – in de jazzhistorie. Welke slagersjongen floot niet 'Blues March' of 'Moanin’'?!

De groep heeft een groot aantal platen uitgebracht en prominente solisten geleverd. Om er maar enkelen te noemen: Clifford Brown, Benny Golson, Lee Morgan, Freddy Hubbard, Keith Jarrett, Wayne Shorter, Cedar Walton, Chuck Mangione, Woody Shaw en Wynton Marsalis.

De opnamen op deze dubbel-cd zijn van radiouitzendingen uit 1978, 1980 en 1983. Hoe je ook denkt over de TROS: gedurende circa dertig jaar hebben ze toch maar wekelijks één uur live-jazz uitgezonden. Eerst uit de Boerenhofstede uit Laren, later uit Nick Vollebregt's Jazzcafé. En nu wordt in een serie een aantal dubbel-cd's uitgebracht van befaamde internationale groepen. In het verschiet onder meer Stan Getz, Gerry Mulligan en Bill Evans.

Na de eerste voltreffer (Chet Baker) is nu dan de tweede verschenen. Ook al zo'n must-have. In de tijd dat een groot deel van de jazzscene en dus ook de Nederlandse podia werden gedomineerd door free jazz, toerde Blakey onvervaard en continu met zijn Jazz Messengers de wereld rond om de funky hardbopjazz ten gehore te brengen. En met succes.

Ook de Messengers uit deze periode zijn zonder uitzondering muzikanten van grote klasse. Op dit dubbelalbum zijn onder anderen de tenorsaxofonisten David Schnitter en Billy Pierce, altsaxofonist Bobby Watson, trompettist Terence Blanchard en pianist James Williams te horen. Er wordt onvervalste hardbop gespeeld, waarbij de solisten tekeer kunnen gaan en daarvoor alle ruimte krijgen. Spits de oren bij de tomeloze altsolo van Watson in Wayne Shorters 'Free For All' en de furieuze tenorsolo inclusief stoer geluid van David Schnitter.

Cd 2 opent met een zeer pittige 'Blues March', waarin opmerkelijk wordt gesoleerd door tenorist Billy Pierce – lekkere felle toon en virtuoze vingertechniek – en trompettist Valery Ponomarev. Een andere klassieker – 'Moanin’' - komt aan bod in de 1983-editie. Solisten van belang zijn vooral altist Donald Harrison, trompettist Terence Blanchard en pianist Johnny O'Neal, welke laatste behoorlijk in de vergetelheid is geraakt. Deze groep klinkt beduidend geavanceerder dan die uit 1978 en 1980. Er wordt meer vanuit het hoofd dan de buik geïmproviseerd. Niets op tegen overigens. Blakey houdt het spannend met zijn stuwend, opzwepend en swingend drumwerk.

Ook deze Tros Sesjun-opnamen zijn meer dan de moeite waard.

Labels:

(Jacques Los, 23.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Groot technisch gemak en geïnspireerde solo's

Dave Liebman Group, zaterdag 11 december 2010, Bimhuis, Amsterdam

Het is Dave Liebman niet gelukt om door te dringen tot het sterrendom in de jazzwereld. Desalniettemin behoort deze veteraan tot de prominenten in die wereld. De in 1946 geboren Liebman speelde reeds in de zeventiger jaren met de toen toonaangevende musici Elvin Jones en Miles Davis. Nadien formeerde hij diverse eigen groepen. Met uitzondering van de drummer Marco Marcinko, die zich tien jaar later aansloot, bestaat het kwartet dat deze avond in het Bimhuis concerteerde al sinds 1991.

Vanzelfsprekend was het dan ook, dat de groep een grote muzikale homogeniteit tentoonspreidde. Het samenspel en de interactie waren van een zeer hoog niveau. En ook de gevarieerde composities en arrangementen waren doorwrocht en werden feilloos uitgevoerd. Het concert bestond uit composities van de bandleden afzonderlijk en werk van onderen anderen Ornette Coleman, Wayne Shorter en Antonio Carlos Jobim.

Eén van de fraaiste stukken was het door gitarist Vic Juris uitgebreid bewerkte 'Una Muy Bonita'. Juris had van Ornette Colemans kleinood een bescheiden suite gemaakt, waarin meerdere ritmewisselingen plaatsvonden. In het heftig swingende deel werd door Juris en Liebman onvervaard en virtuoos gesoleerd. Ook in Wayne Shorters 'Night Dreamer' demonstreerde Liebman zijn razendsnelle techniek.

Jammer misschien was dat, hoewel aangekondigd in de folder van het Bimhuis, amper uit één van zijn laatste cd's – 'Turnaround (The Music of Ornette Coleman)' – werd geput. Vooral ook omdat die cd door Duitse jazzcritici is uitgeroepen tot Jazz Record of the Year 2010..

Neemt niet weg dat de Liebman Group een afwisselend repertoire presenteerde – van ballads, via latinritmes naar rock-georiënteerde stukken – en met groot technisch gemak en geïnspireerd soleerde. In het geheel speelde bassist Tony Martino een gedegen doch bescheiden rol, al creëerde hij met behulp van elektronische effecten enkele interessante soundscape-achtige solo's. Het pittige drummen van Marco Marcinko kan ook niet onvermeld blijven.

Het is bekend dat Liebman zich de laatste jaren meer op de sopraansax manifesteert. Maar toch was het jammer dat hij deze avond zijn andere belangrijke instrument - de tenorsax - in de koffer liet liggen.

(Jacques Los, 22.12.10) - [print] - [naar boven]





In memoriam
Trudy Pitts


In het Chestnut Hill Hospital in haar woonplaats Philadelphia is zondag 19 december Trudy Pitts overleden. De muzikante (orgel, piano, vocals) leed al enige tijd aan alvleeskanker en werd 78.

Trudy Pitts, die getrouwd was met drummer William Carney II, plaatselijk beter bekend als 'Mr. C.', kreeg een klassieke piano-opleiding. Toen ze eind jaren vijftig Shirley Scott in de Hi-Tones van Mr. C. opvolgde, was dat het begin van een verbintenis, professioneel en persoonlijk, die ruim een halve eeuw standhield. Van de muzikanten die met de Hi-Tones werkten, kunnen de saxofonisten John Coltrane en Rahsaan Roland Kirk en gitarist Pat Martino genoemd worden.

Martino karakteriseerde haar als "een belangrijke, zeer belangrijke artieste wat de ontwikkeling van het instrument (de Hammond B3) betreft". Zelf had ze een voorkeur voor de piano. "Geef mij maar een Steinway van twee meter zeventig, of een babyvleugel van 75.000 dollar! Omdat je dan je eigen geluid moet maken. Om dat geluid te krijgen, moet je de spieren van je handen en je armen ontwikkelen." Ook het gezeul met het tweehonderd kilo zware instrument werd haar op een gegeven moment teveel. "Rugklachten, hernia, praat me er niet van, daar kan ik je verhalen over vertellen!"

(Eddy Determeyer, 21.12.10) - [print] - [naar boven]





Festival
Van noisy intens naar gevoelvol sereen

dOek Festival #9, zaterdag 4 december 2010, Bimhuis, Amsterdam

Bijzonder tijdens het negende dOek Festival waren de twee Mix & Match-sets. Een leuke vondst. Het hield in dat ad-hocformaties uit de aanwezige musici korte impro-concertjes gaven. Twee daarvan waren zeer verrassend en succesvol; de eerste, twee bassisten (Jan Roder en Ingebrigt Håken Flaten) en twee drummers (Marcos Baggiani en Steven Heather) en de tweede, een blazersgroep bestaande uit Eric Boeren (trompet), Tobias Delius (tenorsax), Mat Gustafsson (baritonsax), Wolter Wierbos (trombone) en Oren Marshall (tuba).

De blazersgroep speelde enthousiast en geïnspireerd. Het gorgelde, gromde, zuchtte, gierde en scheurde door en in de instrumenten, van drie keer forte tot en met drie keer pianissimo. Indrukwekkend! Verrassend was in één van de Mix & Matches de aanwezigheid van free-jazz veteraan Joe McPhee op pocket trompet.

De hoofdmoot van het festival waren de rondom een halfuur durende concerten van vijf vaste formaties. De eerste was de groep The Ambush Party. Het is een internationaal kwartet, bestaande uit pianist Oscar Jan Hoogland, tenorsaxofonist Natalio Sued, cellist Harald Austbø en drummer Marcos Baggiani, dat in 2006 is opgericht en absoluut geen partymuziek speelt. Het kwartet kan tot de voorhoede van de internationale impro-muziek worden gerekend. Kenmerkend is de collectieve improvisatie. Uiterst gedisciplineerd en met een open oor worden gevoelvolle, serene muzikale landschappen gecreëerd. De gezamenlijke speelwijze staat ten dienste van de totaalmuziek. Energieke individualistische uitspattingen kwamen amper voor. Dat resulteerde in verstilde groepsmuziek, gespeeld met een enorme intensiteit en nauwkeurigheid. Kamer-impro-muziek van zeer hoog niveau, waarbij het volle sonore klassieke saxgeluid prachtig mengde met de gestreken cello-passages.

De groep Available Jelly kan gerekend worden tot één van de beste impro-ensembles in de Nederlandse scene. De blazers Eric Boeren, Wolter Wierbos en Michael Moore (altsax en klarinet) en drummer Michael Vatcher manifesteren zich als prominenten in dit genre in alle mogelijke andere formaties en zijn door de jaren heen zeer gerenommeerde improvisatoren. Sinds kort is aan dit groepje het tubafenomeen Oren Marshall toegevoegd. Een enorme aanwinst! Evenals The Ambush Party musiceert en improviseert deze club uitsluitend collectief, maar wel uitbundiger en gebruikmakend van composities van Boeren en Moore. In hun muziek zijn en passant de gehele jazzgeschiedenis en invloeden van wereldmuziek verwerkt.

Cor Fuhler, vooral bekend als pianist, speelt in zijn recente kwartet, The Gap, op elektrische gitaar. Dit combo, dat verder bestaat uit klarinettist Tobias Delius, bassist Jan Roder en de Australische drummer Steve Heather, musiceert vooral vanuit de jazztraditie. De composities zijn van Fuhler en – hoewel eigentijds klinkend –refereren sterk aan de soft swing. Hoewel Delius eigentijds improviseert, is de klarinet toch bij uitstek het instrument dat prominent is in de meer klassieke jazz. Ik zou zeggen: Fuhler, laat Delius tenorsax spelen, want daar is hij een meester in en dan krijgt deze intieme en wat saaie kamerjazz meer schwung!

Een juweel van een optreden was dat van het duo Wierbos-Defoort (onder de noemer Wollo's World). Een inventievere trombonist als Wierbos zal moeilijk in Nederland te vinden zijn. Geen wonder dat hij in het hedendaagse jazzcircuit met letterlijk iedereen speelt en heeft gespeeld. Hij vertoont een grote souplesse op het weerbarstige schuifinstrument en produceert diverse klankkleuren door het gebruik van een aantal verschillende dempers. De Belgische pianist Kris Defoort, die zowel thuis is in de hedendaags gecomponeerde muziek als de jazz, is van hetzelfde kaliber als Wierbos. Die combinatie maakte dit concert tot een adembenemende belevenis.

Het Scandinavische powertrio The Thing (andermaal aangevuld met Joe McPhee) sloot deze succesvolle editie van het dOeK Festival af met een even overrompelende als verscheurende set noisejazz. Over die band kunt u binnenkort een concertrecensie lezen op deze site.

Klik hier voor een fotoverslag van dit festival door Maarten van de Ven.

(Jacques Los, 20.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Met Black Voices naar de wortels

donderdag 9 december 2010, Theater 't Kielzog, Hoogezand

Een concert door Black Voices is in feite een reis door het wortelveld van de zwarte zang. Dit a-capella kwintet uit Birmingham, Engeland heeft zijn eigen roots in de Cariben en de focus is, niet onlogisch, op de Afrikaans-Amerikaanse zangcultuur. Niet onlogisch, aangezien de Caribische invloeden van meet af aan – lees: de vroege negentiende eeuw – van onschatbaar belang zijn geweest voor de ritmes en de liederen van de zwarte bevolking van de Verenigde Staten.

Het optreden begon dan ook met ritmische moans, cries en hollers: de zwarte slaven hadden aanvankelijk nog geen eigen liederen, aangezien de politiek erop was gericht, individuen los te weken van hun verbanden, van hun cultuur. (Behalve, heel significant, in New Orleans!) Uit die geneuriede zuchten, die gaandeweg harmonische samenhang kregen, groeide in de loop van de achttiende en negentiende eeuw een authentieke zwarte liedcultuur, die zich gaandeweg loszong van de traditionele blanke protestantse hymnen.

Het was daarop dat Black Voices in 't Kielzog de nadruk legden. Je kunt stellen dat de zwarte zang in de loop van de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw zijn apogeum kende – al kun je tot op de dag van vandaag verbluffende staatjes van stemkunst in de zwarte kerk meemaken. Hoewel de vijf dames uit Birmingham elk in meerdere of mindere mate geplaagd werden door in vochtige Schotse kerkjes en onverwarmde Duitse boerenschuren opgelopen griepjes, kon vastgesteld worden dat we hier met voortreffelijk stemmenmateriaal te maken hadden. Door de solotaken en de eerste stemmen listig over de groep te verdelen werd een bont klankpalet gecreëerd.

Soms bereikte het vijftal de sonoriteit van een jaren twintig-bigband rietsectie. Elders riep de groep reminiscenties op aan de vooroorlogse 'human orchestras', waarvan de Mills Brothers de bekendste (maar zeker niet de verbluffendste) specimina waren. Voor een potje fuga zingen of een madrigaaltje draaiden de dames hun handen evenmin om. Zeker, hun aanpak is tot op zekere hoogte gestileerd, maar dat is geen bezwaar. Met hun antifone aanpak bleven de Black Voices toch in de buurt van de genoemde wortels. En als je een zaal in een nummer als 'Freedom Now' gelijk 150 Otis Reddings aan het zingen krijgt, terwijl die feilloos op de twee en de vier meeklappen, heb je echt wat bereikt.

(Eddy Determeyer, 20.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Der Rote Bereich - '7' (Intakt Records, 2010)

Opname: december 2008 & oktober 2009

'7' is de kurkdroge titel van het zevende album van Der Rote Bereich. Al sinds de vroege jaren negentig gooien gitarist Frank Möbus en basklarinettist Rudi Mahall onder deze naam zowel het uitdagende van avant-garde jazz en vrije improvisatie als de stevige drive van rockmuziek op een hoopje. In de loop der tijd is deze Duitse groep afgeslankt van een kwintet naar een trio en verschillende drummers passeerden ondertussen de revue. Op de eerste albums was Jim Black nog van de partij, waarna multi-instrumentalist John Schröder het van hem overnam. Sinds enkele jaren maakt de talentvolle Oliver Bernd Steidle vast deel uit van de groep en de jongeling laat zich op '7' meer dan eens gelden tussen zijn ervaren compagnons.

De muziek van Der Rote Bereich ligt zonder meer in de lijn van Human Feel en AlasNoAxis, niet toevallig twee groepen waar de eerder vermelde Jim Black bij betrokken is. Het trio vist dan wel in dezelfde vijver als deze twee bands, maar beweren dat de ene een kopie is van de andere is een paar bruggen te ver. Zonder twijfel zijn er in de loop der jaren echter regelmatig invloeden uitgewisseld. Dat heeft gezorgd voor een min of meer uniforme stijl, die ook in talloze andere groepen (Tyft bijvoorbeeld) doorschemert. Enkele bekende ingrediënten daarvan zijn met name de strakke ritmes, die de ene keer uitblinken in eenvoud en dan weer een onaardse complexiteit bezitten. Ook het aanstekelijke van pop- en rockgrooves combineren met gewaagde solo-uitbarstingen of intense noise en improvisatie moet in dat opzicht zeker worden vermeld.

Frank Möbus is verantwoordelijk voor negen van de tien composities, waarvan sommigen niet meer zijn dan muzikale schetsen. De meer uitgewerkte stukken zoals 'Die Deutschen', 'Bremser' en 'Paulie And Christopher (Out In The Woods)' - een verwijzing naar een bekende aflevering van The Sopranos - halen hun energie vooral uit de gebundelde, vaak unisone krachten van elektrische gitaar en basklarinet. Lang thematisch materiaal, door drummer Oliver Steidle ritmisch strak afgebakend, zorgt vaak voor een stevige drive. Het in deze context schijnbaar moeiteloos switchen naar een hoger of lager tempo houdt het voor de luisteraar extra spannend.

Solistisch vuurwerk komt in de meeste gevallen van Rudi Mahall. De basklarinettist toonde zich in zijn carrière al uitvoerig aan de zijde van ondermeer Aki Takase en Alexander von Schlippenbach, en ook op het zevende album van Der Rote Bereich haalt hij verschroeiend uit. Met krachtige luchtstoten laat hij krijsende grond- en boventonen (af en toe zelfs gezamenlijk!) horen. Hij dwarrelt regelmatig als een gek van het ene register naar het andere. Mahall geeft zich volledig en neemt volop risico's, terwijl Möbus wat meer doordacht te werk gaat. Dat heeft misschien te maken met het feit dat hij af en toe een dubbele partij voor zijn rekening neemt, meer bepaald een onopvallende gesamplede loop. Zijn partijen zijn daarom eerder afgemeten, maar klinken gelukkig nooit klinisch of steriel. Dat hij zijn handen ook vuil durft te maken, bewijst hij in het ruige 'Banker’s Burning Bakeries', dat omwille van de lange en scherpe feedbackklanken niet iedereen zal kunnen bekoren.

Dit zevende album van Der Rote Bereich is niet van het beste dat de groep al heeft afgeleverd. Fans van de band (of van deze stijl) kunnen '7' echter zonder problemen blind aanschaffen, want de kwaliteit op dit album is nergens minder dan goed.

Deze recensie verscheen eerder op Kwadratuur.be

(Joachim Ceulemans, 20.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Where magic starts...

Tutu Puoane Quartet, dinsdag 7 december 2010, Theater aan het Vrijthof, Maastricht

Feeëriek, mooi. Een wereldplein. Het Vrijthof in Maastricht. Bij gelegenheid van het kerstfeest een waar toverparadijs. De ambitie van deze stad druipt van de kerstbomen, zoete zuurstokken, warme wafels en het hoog boven de culturele hoofdstad uit torende reuzenrad. Verstomd is de roep om Gerd Leers, nu deze is geroepen om over de landsgrenzen en uitgeprocedeerde asielzoekers te waken.

De (bijna) culturele hoofdstad biedt dezer dagen een massaal vermaak voor elk wat wils en de bussen van 's lands bekendste reisorganisatie staan pontificaal in rijen voor de deur van het theater geparkeerd. Ik bezoek een jazzconcert, vanavond is het podium vrijplaats voor de Zuid-Afrikaanse zangeres Tutu Puoane en het trio Ewout Pierreux (piano), Nic Thys (bas) en de zeer talentvolle Toni Vitacolonna op drums. Allen rasmuzikanten uit België en dat zullen we weten.

Na een als niemendalletje klinkende standard (wellicht om even in te zingen) klimt het concert via het soulnummer 'Baby, Baby, Baby' naar een eenzame hoogte. Waarom: beleving, bezieling, passie. Zelden heb ik mijn aanvankelijke scepsis zo zien plaats maken voor sympathie en genegenheid voor een artiest die van binnenuit de zaal bezingt. Die haar hart laat spreken in alle tederheid, kwetsbaarheid, deemoed en oprechtheid.

De gloedvolle regenboog in de nacht verbrijzelt al het klatergoud aan de buitenkant. De eenvoudige boodschap: van teder, hulpeloos, braaf, naar stil verzet en tenslotte de hartenkreet om gerechtigheid, aandacht en liefde voor iedereen. Wat een mooi concert zetten deze vier vanavond op de planken. Zowel in het samenspel als in de bemeten ruimte om te soleren, blinkt het trio uit. De bijzonder en genuanceerd stuwende drums, de volle en energieke bassoli en het dan weer poëtische, dan weer opzwepende pianospel van Ewout Pierreux ondersteunen deze ambassadrice van het vrije Afrika en bovenal van de betekenis van het Afrikaanse lied voor levende jazz.

Haar identiteit glimt boven haar stemgeluid en naarmate ze via fraaie ballades verder doordringt tot haar wortels, steelt ze het hart van alle aanwezigen. "Ik was de eerste keer in Maastricht, maar het zal niet de laatste zijn," sluit ze zingend af en bedankt het publiek. Ze is geen ster, maar haar ster straalt. Dat maakt dit concert tot een unieke belevenis. "Neem de volgende keer je vrienden en hun vrienden mee." Een ontwapend lachsalvo galmt door de zaal. Het is de lach van de solidariteit.

Enkele weinige valse lage nootjes (blijft een werkpunt) zijn haar vergeven, haar kracht ligt in de muzikale vertelling, gecombineerd met een onvervalste soul. In de Afrikaanse ziel die ze openbaart, in het indrukwekkend en effect versterkende brabbeltaaltje, in de echtheid van deze bescheiden vrouw.

Hoeveel mensen zijn er eigenlijk nodig om dit concert mogelijk te maken? Een even stomme als gevaarlijke vraag. Terug naar deze magische beleving. Ik denkt aan de geboorte van mijn kinderen, ik wil opstaan en roepen: ik gun je alles! Waarom eigenlijk? Dat is magie, het begint in mijn hart en haar lied is de sleutel. Magisch... de levenskracht in het lied van Tutu en haar trio.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Cees van de Ven.

(Jo Dautzenberg, 19.12.10) - [print] - [naar boven]





Artikel
Wachten op Chet Baker


Trompettist/zanger Chet Baker had duidelijk een bepaald soort charisma. Bij leven was hij al een mythe, zijn fans immer in het ongewisse latend: zou hij nu wel of niet komen optreden?

Impresario Wim Wigt: "In clubs was dat dus fantastisch, weetjewel. Dus dan was hij er niet. Zes, zeven uur, acht uur, die hele club zat vol, natuurlijk. En de volgende ochtend kregen we die clubeigenaar aan de telefoon en dan waren ze dus héél blij. Want wat was er gebeurd? Niemand ging naar huis, want ze dachten: o, hij zal wel te laat zijn, hij komt toch wel. Dus wat er gebeurde in zo'n club was dat ze soms wel tot tien, elf uur allemaal zaten te wachten en dan werd er een geweldige omzet gedraaid. Dan begon het concert en dat duurde tot twee, drie uur, in plaats van tot elf, twaalf uur. Dus kun je je voorstellen, buiten dat zo iemand dan de recette had en Chet gewoon helemaal betaald had, hadden ze ook een gi-gan-tische baromzet gehad."

In een uitgebreid artikel van Eddy Determeyer komen mensen aan het woord die Chet Baker aan den lijve hebben meegemaakt: Wim Wigt, zijn vrouw Ria, drummer John Engels en producer Cees Schrama.

Klik hier om het artikel te lezen.

(Maarten van de Ven, 19.12.10) - [print] - [naar boven]





Festival
Jonge talenten en ervaren grootheden

Festival Jazz International Rotterdam 2010, zondag 21 november 2010, De Doelen, Rotterdam

De laatste dag van het festival begon met het Noorse Helge Sunde Ensemble Denada. Een onconventioneel jazzensemble gaf een kijkje in zijn heksenkeuken: vrije experimentele muziek met digitale synthesizergeluiden, versmolten met traditionele volksdansritmen. Strikte structuur van de dodecafonie werd ingezet in een avontuurlijke en humorvolle show bestaande uit diversen muziekstijlen in een bigband-jasje.

Het ging verder met Marzio Scholten en zijn nieuwe band, bestaande uit Randal Corsen (piano), Yaniv Nachum (tenorsaxofoon), Stefan Lievestro (bas) en Mark Schilders (drums). Zij presenteerden onder meer stukken van de nieuwe cd 'World Of Thoughts': een collectie van hedendaags en welluidende gitaarjazz. In balladen en snellere stukken toverde gitarist Scholten heldere en uitgestrekte melodielijnen, die door pianist Corsen en saxofonist Nachum werden aangevuld en geïnspireerd. Een rond concert met een stabiele ritmesectie.

Vervolgens wist Michiel Borstlap solo aan de vleugel met stralende zeggingskracht en intensiteit te fascineren. Zijn uitvoering en vormgeving van bij voorbeeld 'Blame It On My Youth' (Levant/Heyman) deed sterk denken aan de sfeer van Keith Jarretts legendarische 'The Köln Concert'. Dat Borstlap tussen de stukken verhalen en anekdotjes vertelde, was voor deze stemming een nadeel, maar het hoorde helaas bij zijn rol als gastheer. Voor het slot van dit concert had Borstlap, naar aanleiding van een eerdere succesvolle samenwerking, Lori Lieberman uitgenodigd. Zij zong een lieflijke versie van haar beroemde lied 'Killing Me Softly With This Song', wat muzikaal gezien het concert een heel andere richting gaf en hierdoor ook wat onverwacht eindigde. Een beetje meer Borstlap solo, zoals in het begin, zou wenselijk geweest zijn.

Een verfrissend optreden van een nieuw kwartet, bestaande uit pianist Castel Thierry en saxofonist Jasper van Damme, die met contrabassist Sven Happel en drummer Mark Schilders hun veelzijdige eigen repertoire ten gehore brachten, was de opmaat voor het laatste concert van dit festival.

Het Cedar Walton Quintet, met Piero Odorici (tenorsaxofoon), Roberto Rossi (trombone), Darryl Hall (contrabas) en Willie Jones III (drums), gaf een concert in de klassieke jazztraditie. Omdat Walton een meester is in dit genre, was het een uitbundige en authentieke voorstelling met ritmische en dynamische processen. Fijne kamerjazz met een uniek geluid en interactie van de muzikanten zoals je die graag hoort. Het kwintet vormde een waardige grand finale.

Naast de muziek van dit succesvolle festival was er ook de mogelijkheid naar een documentaire over het leven en werk van Michiel Borstlap te kijken. Een persoon die openhartig toegeeft toch nog wel eens een kleine jongen te zijn. Echter, belangrijker was het om te kunnen zien, hoe excessief, gepassioneerd en excentriek deze kunstenaar zijn muzikale roeping leeft. Het deed denken aan een opmerking van Bill Evans: "All I must do is care about music."

Klik hier voor een verslag van het Festival Jazz International Rotterdam 2010 door Maarten Jan Rieder.

(Sabine Fleig, 18.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Ronny Cuber & The Beets Brothers – 'Infra-Rae' (Maxanter, 2010)

Opname: 11 mei 2009

Baritonsaxofonist Ronnie Cuber kennen we hier in Nederland vooral van zijn tournees met pianist Rein de Graaff, maar hij heeft inmiddels een carrière van ruim een halve eeuw achter de kiezen. Die voerde hem door de gelederen van onder anderen Maynard Ferguson, George Benson en de Mingus Big Band. Hij is van alle markten thuis, maar hier horen we hem in een mainstream-idioom, begeleid door de Beets Brothers.

Cuber beschikt over een masculien, verwoestend geluid, waarvan je mag hopen dat het niet in verkeerde handen valt. De geschiedenis van de jazz lijkt erin verborgen. Het tweede nummer, 'Line For Lyons', is een Gerry Mulligan-evergreen, maar Ronnie Cuber is daarom nog geen Mulligan-adept. Hoewel hij in de jaren vijftig opgroeide, het tijdperk waarover 'Jeru' heer & meester was, lijkt hij meer op te hebben met Serge Chaloff. In een song als 'Lover Man' evenwel heeft zijn sound eerder iets van de zware tenoren uit het midden van de vorige eeuw. Elders is zijn geluid als schuurpapier zo schor.

Hij schrijft ook aantrekkelijke werkjes. De bossa nova 'Chillin’' lijkt een hit uit een onbestemd tijdperk die onlangs werd opgegraven, en ook 'Cubism' zou zó op het repertoire kunnen van willekeurig welke neo-bopgroep.

Pianist Peter Beets probeert hier niet vóór Oscar Peterson bij de finish te arriveren, maar speelt functioneel en soulvol. Broer Alexander, die op twee tracks op tenor te horen is, laat zich niet van de wijs brengen door Cuber, maar is een aan hem gewaagde sparringpartner. Allemaal kortom heel geschikt voor je winterdepressies, zwarte pietpandemieën en kerstkaters.

Deze recensie verscheen eerder in Jazz Magazine.

(Eddy Determeyer, 18.12.10) - [print] - [naar boven]





Festival
Duo's met intensiteit en gevoel

Festival Jazz International Rotterdam 2010, zaterdag 20 november 2010, LantarenVenster, Rotterdam

De tweede dag van het festival, dat door Michiel Borstlap werd geprogrammeerd, stond in het teken van duo's en de band van de gastheer zelf. Voordat het zo ver was, kon men een soort muzikale verjongingskuur ondergaan met Kneebody en veeleisende pianojazz van het Gideon van Gelder Kwintet bewonderen. De Amerikaanse band Kneebody speelde met een sterke ritmesectie, bestaande uit Adam Benjamin (Fender Rhodes, piano), Kaveh Rastegar (elektrische bas) en Nate Wood (drums), een modern en turbulent cross-over concert. Trompettist Shane Endsley en saxofonist Ben Wendel zorgden voor woelig en tegelijk bewogen solo's. Progressieve rock ontmoette jazz.

Op die manier wakker gemaakt, ging het verder met de vroegere Borstlap-leerling Gideon van Gelder. Hij presenteerde met een Nederlandse bezetting van zijn kwintet - Francien van Tuinen (zang), Ben van Gelder (altsaxofoon), Clemens van der Feen (contrabas) en Martijn Vink (drums) - delen van zijn debuut-cd 'Perpetual'. Kenmerkend voor dit project was de inzet van de menselijke stem als een begeleidend instrument. Het was een experimentele uitdaging voor zang en instrumenten, die in het verloop van het concert naar een muzikale symbiose groeide.

Het eerste duo betrof jazzlegende Lee Konitz met pianist Dan Tepfer. Het was een indrukwekkende prestatie: hoe de saxofonist Konitz voortdurend lange melodieën speelde en samen met zijn jonge begeleider Tepfer vanuit kleine impulsen uitgebreide variaties creëerde. Met fluweelzachte tonen en dynamiek vulde deze kleine formatie de grote zaal met muziek. Het was een waar genoegen.

Een verrassing was pianiste Kaja Draksler met drummer Martijn Vink, het tweede duo van deze avond. De winnares van de Deloitte Jazz Award 2009, nu al een fenomeen op de piano, speelde met eigenzinnigheid en zelfverzekerdheid muzikale interpretaties van onder andere stukken van Hindemith en eigen composities. Haar ideeën en zangerige variaties werden steeds door een netwerk van precieze en vloeiende ritmes van Vink aangevuld. Ze hadden in elkaar de muzikale sparringpartners gevonden en beheersten de hoge kunst in harmonie samen te smelten.

Het slotconcert van de tweede dag was, net zoals de dag ervoor, weer een vuurwerk met een geweldige sfeer: Michiel Borstlap en zijn band - Ruud Preuts (trompet), Jeroen Hol (elektrische gitaar), Moutwijn Lucas (basgitaar) en Erik Koer (drums) - lieten goede oude jazzrock met een zingende gitaar van Hol horen. Met behoorlijk wat funkelementen kreeg de luistervermoeidheid ook vanavond geen kans.

Klik hier voor een verslag van het Festival Jazz International Rotterdam 2010 door Maarten Jan Rieder.

(Sabine Fleig, 16.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
De metamorfose van hecht trio naar hecht kwartet

Harmen Fraanje Trio & Tony Malaby, maandag 22 november 2010, Jazzpower, Wilhelmina, Eindhoven

Een optreden van het pianotrio van Harmen Fraanje staat op zich al garant voor een interessante luisterervaring, maar samen met de saxofonist Tony Malaby werden nog andere dimensies bereikt. Van meet af aan werd duidelijk waar het op uit zou draaien vanavond: een concert waarover nagepraat zou worden.

Fraanje, Van Feen en Van Hemmen waren alert en scherp in begeleiding, solo's en interacties. Malaby was hier niet de prominente frontman die het voor het zeggen had. Integendeel, hij liet de Nederlanders terecht in hun waarde en maakte dankbaar gebruik van hun alom geprezen talenten en hoogstaand spel.

Het kwartet bracht actuele, vrije improjazz, die onderhuids ging, omdat vakmanschap en verbeeldingskracht de basis vormden. In de collectieven en improvisaties was veel van je gading te vinden. De kritikasters van deze jazzvorm, met zijn grote mate van vrijheid, weinig regels en muzikale dogma's, hebben iets gemist. Ook zij zouden zeker niet zijn ontkomen aan de bijzondere vibe tijdens dit concert tussen de uitvoerende musici en de toehoorders.

Van Feen leverde vanavond weer spel met een kwaliteitslabel. Hij reactiveerde het nog resterende kippenvel van zijn bovenaardse solo 'Wat Een Dag' op de recente 'Dutch Songbook'-cd van Jan Menu. En laat ons hopen dat Flin van Hemmen niet al te lang vertoeft in de New Yorkse jazzscene. Hij kan hier niet gemist worden om mede klank, kleur en zin te geven als tegenwicht voor het populistische, grijze cultuurlandschap dat aanstaande lijkt. De jonge drummer kan zich meten met de top, en dat niet enkel in ons land.

Tony Malaby verstaat de kunst van het nuanceren. Het ene moment heftig, ruw en extrovert, dan weer verstild, subtiel, breekbaar en fluisterzacht vertelt hij zijn verhalen, die blijven fascineren, omdat hij nooit in herhaling valt. Opvallend is zijn voortreffelijke instrumentbeheersing, waarmee hij zijn improvisaties technisch en dynamisch naar believen vormgeeft. Hij is niet voor niets een van de belangrijkste hedendaagse Amerikaanse saxofonisten.

De verdienste van Malaby was onder meer het harmonisch opgaan in dit trio, waardoor een homogeen kwartet ontstond. Harmen Fraanje was zich bewust van het feit dat velen voor hem waren gekomen en stelde niet teleur. In zijn unieke idioom en harmonisch spel in zijn dialogen met Malaby wist hij snaren te raken met sensibele improvisaties en sferisch impressionistisch spel.

Wat Malaby ook ten berde bracht qua spel, mood of dynamiek, Fraanje, Van Feen en Van Hemmen voorzagen hem van betrouwbare en relevante backing. Malaby op zijn beurt toonde zijn empathie en waardering. Hij liet veel ruimte aan de anderen om zich te profileren.

De compositie 'Bo3eog', ritmisch hoekig en qua timing typisch Fraanje, speelde Malaby alsof dit stuk al jaren op zijn repertoire stond. Harmen Fraanje tekende voor de composities, waarmee men hier voortreffelijk uit de voeten kon. Met zijn intense, intimistische en gepassioneerde spel liet hij horen waarom hij zonder twijfel tot de meest smaakmakende pianisten van ons land behoort.

Als er wat al te vrij, 'onverstaanbaar' of ongeïnspireerd wordt gemusiceerd op concerten van Jazzpower, laten toehoorders het soms vroegtijdig afweten. Deze keer was daarvan geen sprake. Iedereen bleef door de magie van deze avond tot de laatste noot van de toegift gebiologeerd aanwezig. Een euforische recensie met veel superlatieven? Klopt, maar er is geen reden om er een woord van terug te nemen, aangezien het een klasse concert betrof.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert.

(Cees van de Ven, 14.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Millennium Jazz Orchestra – 'Pretty Pumps' (eigen beheer, 2010)


Nederland kent een niet geringe bigband-cultuur. In elke behoorlijke stad en zelfs dorp is wel een enthousiaste amateurbigband te vinden. Daarentegen zijn de professionele grote orkesten schaars. Te duur natuurlijk, want wie kan er op zijn jazzy bruiloft een bigband inhuren?! Enkele bekende functionerende nationale bigbands zijn Jazz Orchestra Of The Concertgebouw, Holland Big Band, Rotterdam Jazz Orchestra en Kosselleck Big Band. Hieraan moet worden toegevoegd het Millennium Jazz Orchestra, dat onder de bezielende leiding staat van componist/arrangeur Joan Reinders.

Inmiddels heeft het orkest onder zijn huidige naam (voorheen – sinds 1990 – heette het orkest de Big Barchem Band) zijn zesde cd uitgebracht. Op deze schijf speelt de band composities van Reinders in de geest van befaamde componisten/arrangeurs als Pete Rugolo, Bill Holman, Sammy Nestico en Bob Mintzer. Het orkest kan zich met groot gemak meten aan illustere voorbeelden, denk aan de Thad Jones/Mel Lewis Big Band en de Toshiko Akiyoshi/Lew Tabackin Big Band.

Het zijn niet alleen de voortreffelijke composities en arrangementen die deze cd tot een aanrader maken, maar tevens de voortreffelijke solo's van met name tenorsaxofonist Remco Keijzer, altsaxofonist Gerlo Hesselink, trombonist Vincent Veneman en pianist Dirk Balthaus. Hoogtepunten van de cd zijn onder meer de indrukwekkende ballad 'Humble And Handy', waarin Hesselink beheerst en smaakvol soleert en de relaxte medium swinger 'Epoxy', met een hoofdrol voor baritonsaxofonist Job Helmers.

De cd is verkrijgbaar via de
website van het Millennium Jazz Orchestra.

Meer zien en horen?
Klik hier voor een filmpje van een live-uitvoering van 'Epoxy'.

Labels:

(Jacques Los, 14.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
De magie van JD

masterclass en optreden van JD Walter, 6-7 december 2010, Prins Claus Conservatorium & De Smederij, Groningen

Bij de aanvang van zijn masterclass stuurde vocalist JD Walter een contrabassist weg. Een bas, die had hij zelf wel bij zich.

Dat hij baslijnen is gaan zingen en ook andere instrumentale effecten ging toepassen, had artistieke en economische gronden, vertelde de Meistersänger tijdens zijn masterclass in het Groninger conservatorium. Daardoor ging hij beter naar bassisten luisteren: wat doet Paul Chambers daar? Hoe lost Jaco dat op? Waar is Anthony Jackson nu weer mee bezig? Daarnaast is het zo dat ook New Yorkse podia steeds minder geld te besteden hebben en dus kleinere combo's engageren. Overigens verdient de nieuwe docent Jazzzang brood en beleg vooral in Europa. (Niet in Nederland, gekkie. We hebben het hier over beschaafde landen.)

Had ik al geschreven dat JD Walter een regelrechte sensatie is? Bij dezen. Niets meer. Niets minder. Sinds het gedenkwaardige debuut van Rachelle Ferrell op het Haagse North Sea Jazz Festival heeft geen vocalist een vergelijkbare verwoestende indruk op me gemaakt. JD's bereik omvat drie octaven, ik denk dat hij van nature een tenor is en als dat kleine menneke als een Saturn V de hoogte ingaat, kan hij net zo puur en etherisch klinken als de beste Italiaanse castraatzangers. (Dat, Ingrid, is juist een compliment.) Daarbij vleit hij je ziel los en die gaat verzaligd mee op reis. En ook als hij met behulp van zijn choruspedaal in de Saragossa Zee afdaalt, laat je je een met de wieren wiegen, heen en weer.

Je kunt Walter in de rij Jon Hendricks-Bobby McFerrin-Al Jareau plaatsen, terwijl de eigenzinnige manier waarop hij zijn eigen dingetjes en standards als 'The Way You Look Tonight' en 'Beautiful Love' vormgeeft aan Nat King Cole doet denken – de Nat Cole van diens triotijd. Ondanks of juist dankzij zijn verbluffende fluttertechnieken en andere capriolen krijgen de teksten alle aandacht. Woorden worden gewikt en gewogen.

Het gelegenheidskwartet onder leiding van pianist Diederik Idema dat hem in De Smederij begeleidde, dirigeerde de zanger met handgebaren en blikken. Dat het combo (niet gerepeteerd!) geen krimp gaf, droeg duidelijk bij aan de magie van de avond.

(Eddy Determeyer, 13.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Rara Avis – 'One Fell Swoop' (Karnatic Lab Records, 2008)


Niets is zo verdacht als een Westerling met een panfluit, sitar of didgeridoo, die besluit het erfgoed van een ander land te gaan kopiëren onder het mom van het verspreiden van andere culturen. Dit gaat namelijk vaak voorbij aan de gedachte dat het hartstikke moeilijk is om de traditie van een ander land in je op te nemen. Mensen die daadwerkelijk iets bereiken binnen deze exotische tradities, zijn hier tientallen jaren mee bezig en het is niet iets dat zomaar overgezet kan worden naar Westerse oren. Vaak worden er daarom oppervlakkige knievallen gemaakt naar de niet-geïnitieerde Westerse luisteraar. De muziek die daaruit ontstaat, belooft authenticiteit, maar is in wezen een bevestiging van de culturele verschillen en een soort van oriëntalisme. Een daadwerkelijke transformatie van het materiaal is niet aan de orde. Dit is waarom veel new-age muziek klinkt als conservatieve eenheidsworst.

Het is dan ook veel beter om te proberen op authentieke wijze een andere cultuur te benaderen en de verschillende culturen in het midden te ontmoeten. Rara Avis slaagt hier zeer goed in. Hoewel de muziek diep is geworteld in de Indiase tradities, is er genoeg eigen aan om meer te zijn dan een ambtieloze herinnering aan dat wat anders is. Dit komt door een aantal dingen.

In de eerste plaats is het instrumentarium zeer slim gekozen. Terri Hron speelt blokfluiten, melodica en elektronica en Robbert van Hulzen speelt elektronica en doet de percussie. De fluiten, vooral de bijzondere basblokfluit, zijn herkenbaar Westers, maar passen prima in de opzet van de muziek. De Indiase traditie heeft immers een grote traditie op het gebied van de fluit. De brede selectie aan percussie die Van Hulzen speelt, herinnert aan de prominente rol van de tabla, maar bestrijkt een groter spectrum.

Hierdoor is het mogelijk om de overeenkomsten tussen Indiase muziek en Westerse muziek te gebruiken zonder hoekjes af te snijden. De ritmische faseverschuivingen op sommige stukken waar elektronica een grote rol speelt, zijn directe herinneringen aan het klassieke minimalisme, een stroming die overigens ook zeer in Indiase muziek geïnteresseerd was. Zulke faseverschuivingen komen als polyritmes ook veelvuldig voor in de muziek van de Karnatische traditie en de hedendaagse jazz. De connectie met jazz blijft overigens op dit album impliciet.

De muziek van de zestiende eeuw daarentegen wordt op slimme wijze verwerkt, in 'Preston Masala' (gebaseerd op een stuk van Thomas Preston). Wie het hoort, realiseert zich niet dat de basis voor deze melodie al vijf eeuwen meegaat. Dat is zeer prijzenswaardig; het was immers makkelijk geweest een of ander koortje de vocalen te laten doen en daarmee weer een connectie expliciet te hebben gemaakt. Hetzelfde geldt voor 'Birds?', het laatste stuk op deze cd. Dat is een bewerking van elfde- en zestiende-eeuwse concepten, met de elektronica van nu. Het geheel is tijdloos.

Rara Avis bewerkstelligt deze tijdloosheid door zich bewust te tonen van de formele overeenkomsten van de muziekstijlen die worden verwerkt. In plaats van daarna alles op een grote hoop te gooien, wordt eerst de essentie vastgesteld en word al het overbodige weggelaten. Zo blijft wat men hoort grotendeels impliciet verbonden met wat men weet. Het resultaat hiervan is een grote mate van vrijheid om te luisteren en te denken, bijvoorbeeld over hoe bijzonder het is dat al deze tradities zo op elkaar lijken. Ikzelf zou daar een bijna politieke boodschap in willen lezen. Gelukkig kan dat, omdat de muziek mij niets dicteert. Grote klasse.

Meer horen?
Op de
MySpace-pagina van Rara Avis kun je van dit album de volgende tracks te beluisteren: 'Metroville', 'Birds?', 'Hans Variation: 1. Clover'.

(Sybren Renema, 12.12.10) - [print] - [naar boven]





In memoriam
James Moody


Op 85-jarige leeftijd is op 9 december 2010 saxofonist/fluitist James Moody in San Diego overleden. Hij leed aan alvleesklierkanker.

Na zijn diensttijd (1943–46) speelde hij in het beboporkest van Dizzy Gillespie, met wie hij een levenslange vriendschap begon. In 1948 maakte hij zijn plaatdebuut als leider – 'James Moody And His Modernists' – voor Blue Note. Dan vertrok hij in 1949 naar Europa. Hij besloot er enkele jaren te blijven. In die periode speelde hij met bezoekende Amerikanen, zoals Miles Davis en Max Roach, en - vanzelfsprekend - met Europese jazzmusici.

In Zweden speelde hij tijdens een plaatopname één van zijn beste solo's in 'I'm In The Mood For Love', die later door Eddie Jefferson werd gevocaliseerd in 'Moody's Mood For Love' en - nog weer later - in 1952 een hit werd voor zanger King Pleasure.

Na zijn terugkeer in de States leidde hij zijn eigen formaties, legde zich wat meer toe op het spelen van de fluit, nam een aantal platen op en speelde van 1963 tot 1968 in het kwintet van zijn vriend Dizzy Gillespie. In de zeventiger jaren was hij te vinden in de showband The Las Vegas Hilton Orchestra. Dat orkest begeleidde bekende performers als Bill Cosby, de Everly Brothers, Liberace, Ike and Tina Turner, Elvis Presley en Lou Rawls.

In de jaren tachtig vestigde hij zich in New York en formeerde wederom eigen formaties. In 1985 ontving hij een Grammy Award Nomination voor Best Jazz Instrumental Performance voor zijn spel op Manhattan Transfer's album 'Vocalese'. Dat leverde hem geen windeieren op. Het resulteerde in een platencontract bij RCA/Novus. Hij debuteerde op dat label met het album 'Something Special', waarop pianist Kenny Barron meespeelde.

In 1995 werd Moody's 70ste verjaardag in de New Yorkse Blue Note club gevierd. Ceremoniemeester was Bill Cosby. Opnames hiervan zijn verschenen op 'Moody's Party: Live at the Blue Note' (Telarc). Een van Moody's laatste plaatopnamen – 'Homage' – verscheen in 2004 op het label Savoy. Het album bevat nieuwe stukken, speciaal voor hem geschreven door Horace Silver, Joe Zawinul, Chick Corea, Herbie Hancock en anderen.

Gedurende zijn succesvolle en lange carrière zijn, behalve op de reeds genoemde labels, platen uitgebracht op Prestige, Cadet, EmArcy, Milestones, MPS en Muse. Als sideman is hij te horen op platen van Milt Jackson, Eddie Jefferson, Kenny Clarke, Dexter Gordon en Lionel Hampton.

Als tenorist had James Moody een ouderwets zwaar, spijkerhard geluid, waarin hij van meet af aan de harmonische verworvenheden van de bebop had verwerkt. Vaak ging hij à la Illinois Jacquet gierend de hoogte in. Zijn alt klonk merkwaardig genoeg als een sopraansax, waar met veel moeite een overmaat aan energie doorheen moest worden geperst. Zijn spel weerspiegelde Moody's exuberante persoonlijkheid, zoals zijn schier onafzienbare introducties en geïmproviseerde aria's getuigden van een vrije, onafhankelijke geest. Tijdens zijn frequente bezoeken aan de Lage Landen konden we dat keer op keer vaststellen.

Moody kan in enigermate een traditioneel (bebop/hardbop) saxofonist/fluitist genoemd worden, maar wel met een open oor en geest voor nieuwe ontwikkelingen in de jazz. Hij gold als één van de prominente musici van de moderne mainstream jazz. Of, zoals Peter Watrous van de New York Times over hem schrijft: 'As a musical explorer, performer, collaborator and composer he has made an indelible contribution to the rise of American Music as the dominant musical force of the twentieth century'.

Met dank aan Eddy Determeyer.

(Jacques Los, 11.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Witch hunt

Rotterdam Jazz Orkest & Yuri Honing, donderdag 25 november 2010, Jazz Impuls, Theater Heerlen

In Heerlen is het jazzmaand en dat wordt gevierd. Ruim dertig concerten op twaalf verschillende podia. Jazz Impuls sluit daar met deze fraaie combinatie mooi bij aan. Yuri Honing mag eigenlijk niet ontbreken in een dergelijk aanbod en hij is er dan ook; zij het in een gelegenheidssetting samen met het Rotterdams Jazz Orkest. In het kader van de serie Jazz Impuls doen de mannen en een vrouw uit Rotterdam vanavond in jazzstad Heerlen het theater aan.

Samen met het orkest brengt Honing - een vurig bewonderaar van Wayne Shorter - werk, dat is geïnspireerd door de klassieker 'Speak No Evil'. Voor het zover is, volgt eerst een programma waarin het RJO even laat zien waar haar grenzen liggen, en daar voorbij. In een speciaal voor het orkest gecomponeerde suite 'Suite To A T' komen alle solisten ruim aan bod. Enerzijds de individuele soloprestatie, anderzijds het zo eigene van een knallende bigband. De suite is bijna letterlijk op het lijf geschreven van het orkest, waardoor ook de bandleden, die niet zo vaak in de schijnwerpers staan, kunnen schitteren. Johan Plomp schreef deze suite van zestien stukken, die recent ook op cd zijn uitgebracht.

"Zonder jullie is muziek slechts een zuchtje lucht", oppert de componist, bassist en bandleider tussen enkele nummers door tegen de zaal. Het komt bijna over als een excuus. Dit is te veel lof en hulde voor het publiek vanaf het podium. Er is wat gaande in Nederland sinds het mes willekeurig dwars door orkesten en ensembles snijdt en de heksenjacht is geopend op de kunstzinnige mens. Als iedereen die iets gemaakt heeft op de knieën moet voor het publiek, zijn we te ver van huis geraakt. Maar dat terzijde.

Strak, spetterend, scheurend. Baas boven baas en weer terug in het hok: Plomps suite ontrafelt de geheimen van een bigband. Zoals dit genre zich nu eenmaal opbouwt, voltrekt zich een boeiende, maar ook herkenbare eerste helft. Er is inderdaad ruimte voor ieder bandlid en dat geeft dit concert iets educatiefs. Melodieus solowerk van flügelhornspeler Angelo Verploegen en 'dood-of-de-gladiolen' saxsolo's van Efraïm Trujillo. Terwijl de band speelt, realiseer ik me aan de hand van deze twee solisten, welk een voedingsbodem en talentenvijver een dergelijk orkest kan zijn voor de ontwikkeling van de jazz in Nederland.

Na de pauze hangt iets plechtigs in de zaal. Wayne Shorter zelf heb ik nog enkele weken eerder gezien op Mecc Jazz Maastricht en ik ben dan ook benieuwd naar dit eerbetoon aan de grote meester. Nu het culturele klimaat zo aan diggelen gaat, kan het geen toeval zijn dat 'Witch Hunt' op de playlist staat. Een kraakheldere ontmoeting volgt. Deze saxofonist, aangekondigd als speler uit de landelijke eredivisie, sleept je mee. Verzet heeft geen zin. Het raakpunt is het muzikaal verhaal. Schijnbaar moeiteloos, soms arrogant, zet Honing de muziek neer als een vertelling. Innerlijk is hij bevlogen, uiterlijk onbewogen, onderkoeld bijna. De rust die van hem uitgaat - ondanks het gecompliceerde spel - is opvallend, de muziek spreekt voor zichzelf. Tonen zijn glashelder te onderscheiden en glijden natuurlijk in elkaar over, en wat een timing... De fans van Yuri kunnen hun hart ophalen bij de immer aanwezige melancholie in zijn virtuoze spel.

Het experiment met de bigband klinkt soms verrassend, maar tilt je niet weg van tijd en plaats. De open ruimte, waar Honing zich als geen ander thuis voelt, kan nu eenmaal niet het speelveld worden van deze setting. In zo'n grote groep of in zo'n uitgekiend arrangement zijn bindende regels, dat kan niet anders. Hier ligt het dilemma: de liefhebber van vernieuwende bigbandmuziek komt vanavond meer aan zijn trekken dan de liefhebber van Yuri Honing. Volgend jaar meer Yuri zou ik zeggen; wat denken ze – als ze in de mijnstreek de witch hunt overleven - van een avondje Wired Paradise?

(Jo Dautzenberg, 10.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd
Masha Bijlsma – 'For Love Of Abbey' (Lion Jazz, 2010)


Masha Bijlsma's cd 'For Love Of Abbey' kwam onvoorzien uit, negen dagen voor het overlijden op 14 augustus van haar favoriete zangeres Abbey Lincoln. Op het jazzfestival in Gutersloh in 1995 maakten beide vrouwen kennis met elkaar. Abbey Lincoln was verrast en geraakt dat Masha haar song 'Tender As A Rose' had opgenomen op haar debuutalbum 'Winds Of Change'. Sindsdien bleven beiden in contact met elkaar.

Evenals Lincoln bezit Bijlsma een eigen en uniek stemgeluid. Zij behoort tot één van de meest oorspronkelijke jazzzangeressen in Nederland, waar een aardige singer-songwriter al snel gebombardeerd wordt tot 'jazzsinger'.

'For Love Of Abbey' is een album dat is samengesteld uit nummers van reeds eerder verschenen cd's (onder andere 'Profile' uit 1998 en 'Whisper And Moans' uit 2008) die een ode zijn aan Abbey Lincoln. Bijlsma wordt door musici als bijvoorbeeld Gé Bijvoet, Stefan Lievestro, Rob van den Broeck, haar vader Dries Bijlsma en de saxofonisten Bob Malach en Tony Lakatos begeleid. Voorwaar niet de minste muzikanten. Opvallende vertolkingen zijn 'Tender As A Rose' en 'Left Alone' , waarin de zangeres slechts begeleid wordt door respectievelijk drums en bas. Beide nummers krijgen door Masha's intense vertolkingen, warme stem en de summiere, subtiele begeleiding een sublieme uitvoering.

Het resultaat is dan ook een compilatie-cd waarin een prachtig eerbetoon aan Abbey Lincoln wordt gebracht. Bijlsma's geluid - vol en warm - en frasering is uiterst volwassen en getuigt van een groot inlevingsvermogen. Wars van commerciële activiteiten is zij helaas weinig bekend bij het grote jazzpubliek... en dat is voor dat publiek erg jammer. Eén van Nederlands betere jazzvocalisten verdient meer.

Meer weten?
Lees
hier onze recensie van de cd 'Whispers And Moans'.

Labels:

(Jacques Los, 10.12.10) - [print] - [naar boven]





Jazzprofiel
Hal McKusick


De in 1924 geboren (alt)saxofonist, klarinettist, fluitist Hal McKusick startte zijn carrière in het begin van de veertiger jaren in de bigbands van Les Brown, Woody Herman (First Herd) - kortstondig - en langduriger Boyd Raeburn. De periode in het orkest van Raeburn, die duurde van begin 1944 tot en met eind 1944, was voor McKusick zeer vruchtbaar. Raeburn was op zoek naar een nieuwe sound en had daarom zowel vermaarde musici als arrangeurs aangetrokken. McKusick raakte aldus bevriend en speelde met onder anderen Dizzy Gillespie, Al Cohn, Oscar Pettiford, Tadd Dameron, Johnny Mandel, George Handy en Serge Chaloff.

Voor hij van 1949 tot 1951 de lead klarinet en altsaxofoon in het orkest van Claude Thornhill speelde, werkte hij nog korte tijd in de orkesten van Johnny Otis, Alvino Rey, Al Donahue en Buddy Rich. Na twee succesvolle jaren nam de populariteit van het orkest van Thornhill af en stapte McKusick over naar de band van Elliot Lawrence. Hij verbleef vijf jaren in dat orkest. Ondertussen groeide zijn reputatie en speelde hij mee op plaatopnamen van onder meer Terry Gibbs, Tony Fruscella, Neal Hefti, Med Flory en Don Elliot.

Vanaf 1955 maakte hij onder eigen naam platen, waaronder 'The Jazz Workshop', 'Jazz At The Academy', 'Cross Section - Saxes' en 'Triple Exposure'. Hij is dan inmiddels een veelgevraagd studiomuzikant en een specifiek West-Coast stylist. Vanuit de naoorlogse blanke bigbands werd de kiem gelegd voor de intellectualistische 'cool' speelwijze. Naast McKusick waren muzikanten als Herb Geller, Art Pepper, Lee Konitz, Lennie Niehaus, Charlie Mariano en Paul Desmond belangrijke exponenten van dat genre.

Met name dankzij zijn eigen opnamen rijst McKusicks ster snel; hij neemt deel aan tientallen platensessies van vermaarde jazzmusici als Quincy Jones, Dinah Washington, George Russell, Nat Pierce, Gil Melle, Gunther Schuller en Teddy Charles.

Als eind jaren vijftig, begin jaren zestig de interesse voor live-jazz afneemt krijgt hij een contract aangeboden om in het CBS Studio Orchestra te spelen. Hij neemt het aanbod met beide handen aan. Het orkest doet tv-specials met onder meer Judy Garland, Sarah Vaughan, Tony Bennett, Peggy Lee, Nat King Cole en Barbara Streisand. Begin jaren zeventig is er nog maar weinig emplooi voor het orkest. Hal moet uitzien naar andere mogelijkheden.

Vanaf 1974 freelancet hij en geeft hij privé saxofoonles. Daarnaast werkt hij als piloot(!) op chartervluchten (in 1970 heeft hij zijn vlieglicentie gehaald) en schnabbelt hij met een jazztrio. In 1980 opent hij een antiekwinkel. Nog steeds blijft hij muziek maken. Vooral in de weekends treedt hij op in het New Yorkse Easthampton: in club-restaurant Jazz At Moon en andere lokale podia met onder anderen Jaki Byard, George Duvivier, Clark Terry, Jim Hall en Jerry Dodgion.

In 2005 verscheen op het label Lone Hill Jazz de dubbel-cd 'The Complete Barry Galbraith, Milt Hinton And Osie Johnson Recordings', met opnamen van het Hal McKusick Quartet uit midden jaren vijftig, die eerder verschenen op de platen 'East Coast Jazz Series Nr. 8', 'In A 20th Century Drawing Room' en de reeds genoemde 'The Jazz Workshop' en 'Jazz At The Academy'. Veel van de arrangementen zijn van de hand van Manny Albam, Jimmy Giuffre en Gil Evans.

Op dit album is McKusick in grote vorm en demonstreert hij een belangrijke vertolker te zijn van de enigszins verguisde West-Coast oftewel cool jazz. In tegenstelling tot zijn cooljazz-collega's is zijn toonvorming warm en strak, en zijn speelwijze fel en swingend, sterk neigend naar bebopfrases.

Helaas heeft hij niet als enkelen van zijn tijdgenoten - o.a. Paul Desmond, Art Pepper, Charlie Mariano - furore gemaakt en is hij enigszins op de achtergrond geraakt, sterker nog, tamelijk - ten onrechte - in de vergetelheid geraakt. Lone Hill Jazz verdient alle lof deze vergeten opnamen van een altsaxofonist van allure uit te brengen.

(Jacques Los, 7.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Haytham Safia laat zich uit de tent lokken

Haytham Safia Qu4rtet feat. Eric Vloeimans & Matt Darriau's Paradox Trio, Jiddisch Festival Tilburg, vrijdag 26 november 2010, Paradox, Tilburg

Het Haytham Safia Qu4rtet verrichtte de opening van het achtste Internationaal Jiddisch Festival Tilburg. De Israëlische ud-speler Safia is een klassiek Arabisch geschoolde musicus die zich graag laat beïnvloeden door andere muziekstijlen, zoals balkan, blues, jazz en flamenco. Er was dan ook grote belangstelling voor de combinatie met trompettist Eric Vloeimans, die voor de gelegenheid het podium met Safia zou delen.

Safia en zijn kwartet startte met een vrolijk en dansbaar deuntje in 'Whatever You Want', gevolgd door het serene, klassiek getinte 'Nada' (dauw). Daarna gebeurde er eigenlijk niet zoveel meer. De voornamelijk melancholische melodieën worden meestal door Hanneke Ramselaar (hobo en Engelse hoorn) geschreven, zo vertelde zij. In haar arrangementen geeft zij een klassieke, westerse draai aan de Arabische insteek van Safia.

Op zich zou dit een goed concept kunnen zijn, maar in dit geval was het uiteindelijke resultaat nogal saai en op den duur vermoeiend. Het uitgangspunt van Haytham leek erdoor lamgeslagen. Er was nauwelijks sprake van synergie en ook percussionist Osama Mileegi en celliste Eva van de Poll lukten het niet enige dynamiek in het geheel te brengen.

De geruisloze toetreding van Eric Vloeimans bracht hier verandering in. De omfloerste klanken van zijn trompet sloten naadloos aan op het geheel en gaven de muziek vernieuwende impulsen. Vloeimans keek Safia eens diep in de ogen en slaagde erin hem uit te lokken tot een duel, waarbij het improvisatorisch vermogen van deze prachtige muzikant eindelijk aangesproken werd. Vloeimans liet zijn trompet bedelen, schreeuwen en verlangen naar een wederwoord. Haytham begreep het en genoot zichtbaar van de nieuw ontstane situatie. Het gezellige praatje werd een onderhoudend debat.

Het tweede deel van deze avond lag in de bekwame handen van riet- en fluitspeler Matt Darriau en zijn Paradox Trio, dat wegens omstandigheden deze keer met bassist Jasper de Beer optrad. De Beer speelt in de Amsterdam Klezmer Band en is dus goed bekend met de specifieke materie. Zijn vastberaden spel op de contrabas viel ook totaal niet uit de toon, sterker nog, het bood een solide basis voor deze dynamische band.

Darriau schakelde moeiteloos tussen klezmer en jazz met fantasierijke solo's en improvisaties, waardoor het Jiddische gegeven eens vanuit een andere hoek belicht werd. Pianist Alan Bern nam een evenredig deel voor zijn rekening met fijngevoelige improvisaties en mooie pianopartijen. De interactie tussen hem en Darriau was groot en zorgde voor verrassende ontknopingen. Blikvanger en bepalend voor het totale ritmische plaatje was percussionist Seido Salifoski. Onvermoeibaar zette hij vooral op de dumbek verbluffende staaltjes hand- en vingerwerk neer, terwijl hij zich daarnaast veelvuldig bediende van bekkens en allerlei ander percussiemateriaal.

Wat een mooie avond!

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Monique van der Lint. Ook Cees van de Ven maakte een fotografische impressie, die je hier kunt bekijken.

(Donata van de Ven, 6.12.10) - [print] - [naar boven]





Cd / The Jazztube
Metropole Orkest – 'Fast City' (BHM, 2010)

Opname: 2008

Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Joe Zawinul had dirigent en arrangeur Vince Mendoza al eens bigband-bewerkingen van een aantal composities van de bevlogen toetsenman uit Wenen vervaardigd. Het klinkende resultaat daarvan, met de WDR Big Band, ken ik niet, maar de reputatie van dat orkest in aanmerking nemende zal dat best stevig geswingd hebben.

Mendoza heeft zijn arrangementen bewerkt voor het Metropole Orkest en 'stevige swing' is niet bepaald de meest in het oor springende eigenschap van dat gezelschap. We weten dat Zawinul (1932-2007) niet vies was van het grote gebaar. Hij had een uitgesproken orkestrale wijze van schrijven. Maar daarbij bleef hij toch altijd aan deze zijde van de bombast. Hoewel je vast moet stellen dat Mendoza de sprankeling en de spirit van Zawinul hier goed te pakken heeft, gaat hij in sommige gevallen die grens wel degelijk over. Een compositie als 'Nubian Sundance' heeft dat niet overleefd. Met die Nubiërs is het niet goed afgelopen. Zonnesteek. Doodgedanst.

Elders werken de soms extreme contrasten in dynamiek en het rijke palet van het orkest juist heel goed. In 'Dream Clock', dat zich dichter bij de negentiende-eeuwse klassieke muziek dan bij de (fusion)jazz waagt, gaat de trompet van Ruud Breuls een spannende dialoog aan met de laaggetimbreerde strijkers. De zang van Amit Chatterjee tenslotte roept de karakteristieke gebromde scat vocals van Joe Zawinul in herinnering. Summa summarum heeft Mendoza met deze live-cd toch een intrigerende vertaalslag geleverd.

Bekijk de Jazztube!
De NPS maakte op 26 januari 2008 in het Concertgebouw in Amsterdam opnamen van het concert 'A Tribute to Joe Zawinul', dat het Metropole Orkest daar onder leiding van Vince Mendoza gaf. In deze Jazztube horen en zien we een spetterende uitvoering van het titelnummer van de nieuwe cd, 'Fast City'. Klik op de afbeelding linksboven om het filmpje te starten.

Labels:

(Eddy Determeyer, 6.12.10) - [print] - [naar boven]





Concert
Gastsolist entertainde meer dan hij speelde

Jazz Orchestra Of The Concertgebouw & Don Menza, donderdag 25 november 2010, Bimhuis, Amsterdam

Met het eerste deel van Henk Meutgeerts suite 'Riffs ’n Rhythms' werd het concert van het Jazz Orchestra Of The Concertgebouw lekker swingend in uptempo geopend. Solisten van importantie in dit nummer waren altsaxofonist Joris Roelofs, trompettist Jan van Duikeren, tenorsaxofonist Simon Rigter en pianist Peter Beets.

In de prachtige ballad 'Bird’s Eye' soleerde Ruud Breuls beheerst en met gevoel op trompet. In de orkestpartijen schitterde trompettist Rini Swinkels met strak geplaatste 'high notes'. In Beets' 'The First Song' werd fraai gesoleerd door Van Duikeren, altsaxofonist Jorg Kaaij en Simon Rigter.

Verwonderlijk is het niet dat het orkest dit jaar de prestigieuze Edison Jazz Award gewonnen heeft voor de recent uitgekomen cd 'Blues For The Date'. Naast de meer dan voortreffelijke solisten die het puikje van de moderne mainstream jazz in Nederland vormen, wordt in de secties accuraat en swingend gemusiceerd. Daarbij is het bandbook gevuld met originele composities en arrangementen van onder anderen leider Henk Meutgeert, Peter Beets, Jesse van Ruller, Johan Plomp en Jan van Duikeren.

Dat ook dit orkest wordt geconfronteerd met botte bezuinigingen verdient het niet. Gelet op de kwaliteit van het orkest plus de projectmatige activiteiten en de samenwerking met prominente Amerikaanse musici, is dit niets meer of minder dan een gotspe.

De prominente gastsolist van deze avond was de Amerikaanse meestersaxofonist Don Menza. Hij is een moderne hardbop-blazer. Vooral met de bigbanddrummers Buddy Rich en Louie Bellson heeft hij furore gemaakt. Ook is hij actief als bigbandleider en vervult hij gastdirecties bij bigbands in onder meer Duitsland en Noorwegen.

Zijn techniek, toonvorming en virtuositeit is formidabel. Van die kwaliteiten werd helaas niet al te veel gebruik gemaakt. Menza, die inmiddels 75 jaar oud is en dezelfde dag nog een workshop achter de rug had, kwebbelde meer – hij poneerde wat flauwe anekdotes en grapjes – dan hij speelde. Jammer! Maar als hij dan de tenorsax aan zijn mond zette, was het wel raak en dan nog wel onversterkt. Met zijn vol, rond en warm geluid kwam hij gemakkelijk boven het orkest uit. Ook plaatste hij razendsnel virtuoze en interessante licks. Meer van dat zou geweldig geweest zijn.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Maarten Jan Rieder.

(Jacques Los, 3.12.10) - [print] - [naar boven]


Lees verder in het archief...






Menupagina's:

Redactieadres:

Hoekstraat 1 B17
3910 Neerpelt
België
(0032) 11747180
(0032) 498788554

Nieuws, tips, suggesties, adverteren, meewerken?
Mail de redactie.