Cd
Christian Meaas Svendsen portret - deel 2
Christian Meaas Svendsen with Nakama & Rinzai Zen Center Oslo - 'New Rituals' (Nakama, 2019)
Opname: oktober 2017 / januari 2018
Bijzondere tijden, zo ongeveer alles ligt stil door een om zich heen grijpend virus, vragen om bijzondere muziek. 'New Rituals' is daarvoor op maat gesneden. Het verhaal neemt een aanvang als bassist Christian Meaas Svendsen op een zondag in 2012 voor het eerst het Rinzai Zen Center in Oslo bezoekt, na het lezen van een stukje tekst over het boeddhisme. In de loop van de tijd ontstaat het idee om iets te doen met de soetra's die gebruikt worden als onderdeel van de meditatie en zie, 'New Rituals' is het resultaat. Het werd uiteindelijk een uitgave in drie delen waarbij de tien soetra's drie keer worden uitgevoerd: door Nakama en het koor van het zencentrum, door Nakama zonder koor en solo door Svendsen op bas. Beginnen doen we dus met het koor en Nakama, bestaande uit vocaliste Agnes Hvizdalek, violist Adrian Løseth Waade, pianist Ayumi Tanaka, drummer Andreas Wildhagen en Svendsen zelf. De gezangen kennen een tekst, maar die is er niet om begrepen te worden, verre van. Die tekst dient veeleer om in een trance te geraken. Een gebruik waar Svendsen in zijn composities nauw bij aansluit.
Doordringend is het ritmisch patroon in de 'Lotus Sutra', opvallend de rol van pianist Tanaka. Hij neemt zeer percussief de leiding, terwijl we het koor de woorden horen dreunen. De kracht van dit eerste, bijna 17 minuten durende stuk zit in de monotonie. Juist door de herhaling en de zeer geringe mate van variatie ontstaat de trance. In 'Shakyamuni Eko' horen we de Ino, zeg maar de voorzanger, solo: Peter Davami. Het gaat toepasselijk vergezeld van gongslagen en ander slagwerk, waarna het koor weer ritmisch bijvalt. Svendsen sluit met veel respect aan bij de gezangen die in de zenpraktijk worden gebruikt. Aan alles is te merken dat hij zich hier duidelijk thuisvoelt. Tegelijkertijd gaat hij absoluut een paar stappen verder. De vioolpartij in 'Patriarch Eko' is duidelijk geïnspireerd op de westerse klassieke muziek en stukken uit de eerdergenoemde 'Lotus Soetra' doen ook denken aan Scandinavische folk.
Voor Nakama hanteert Svendsen hetzelfde geraamte, maar hij vult het wel geheel anders in. Hier herkennen we zeker ook de vrije improvisatie waarmee Svendsen - deel uitmakend van Paal Nilssen-Love's Large Unit, Hungry Ghosts en The Big Yes! - meer dan vertrouwd is. Mooi klinkt het zeer subtiele spel van Svendsen, Tanaka en Wildhagen in 'Heart Sutra'. Samen geven ze een ietwat duister, sloom ritme vorm. Wildhagen horen we uitgebreid met zeer stemmig percussiespel in 'Shakyamuni Eko', een versie waarin ook zang te horen is. In 'Dharani For The Great Passionate One' trekt Hvizdalek unisono op met de instrumentalisten. Het repetitieve, zo kenmerkend voor deze rituelen, weet het kwintet hier uitstekend te treffen. Dit deel wordt afgesloten met het meesterlijk trage 'The Four Great Vows'.
Op de derde schijf vinden we Svendsen solo. Door het gebruik van de strijkstok en de ingetogen klankwereld sluit Svendsen hier nog het meest aan bij de hedendaags gecomponeerde muziek. Bijzonder is de afwisseling in 'Lotus Sutra' tussen het donkere repetitieve motief en de lichte accenten. In 'Heart Sutra' horen we Svendsen zelf chanten terwijl hij in een vaag ritme aan zijn snaren plukt. Hetzelfde procedé volgt hij in 'Dharani for Preventing Disaster', maar dan ritmischer en met vocale klanken die diep uit zijn keel komen. Apart is ook het sterk stromende, zeer ritmische spel in 'Dharani for the Great Passionate One'. Wat Svendsen hier precies doet is me niet duidelijk, maar het klinkt absoluut zeer bijzonder. In 'Patriarch Eko' zoekt Svendsen het dan weer in een relatief hoog register. Bijzonder is ook het tribaal ritmische col legno spel in 'The Final Instructions of Master Közen Daito', voor we ook deze schijf eindigen met een stemmige klankwolk: 'The Four Great Vows'.
Labels: cd, Christian Meaas Svendsen-special (Ben Taffijn, 16.4.20) - [print]
- [naar boven]
Cd's
Christian Meaas Svendsen portret - deel 1
The Big Yes! - 'The Big Yes!' (Nakama, 2019)
Opname: april 2018
Hungry Ghosts - 'Hungry Ghosts' (Nakama, 2019)
Opname: oktober 2018
Katariin Raska & Christian Meaas Svendsen - 'Finding Ourselves In All Things' (Nakama, 2019)
Opname: november 2018
De Noorse bassist Christian Meaas Svendsen timmert lekker aan de weg. Hij maak deel uit van Paal Nilssen-Love's Large Unit, startte een aantal jaren geleden het kwintet Nakama, begon zijn eigen platenmaatschappij en is tevens actief als componist. Voorwaar een indrukwekkend cv. Maar er is nog veel meer, getuige vier albums die kort na elkaar eind vorig jaar het licht zagen en een prima beeld geven van de man zijn veelzijdigheid. In deze recensie achtereenvolgens een kwartet, The Big Yes!, een trio, Hungry Ghosts en een duo, Svendsen met Katariin Raska. En in deel twee het bijzondere uit drie cd's bestaande 'New Rituals', waarin we Nakama horen, Svendsen solo, maar ook een koor van een zencentrum in Oslo.
The Big Yes! bestaat, naast bassist Svendsen uit altsaxofoniste Anna Högberg, tromboniste Maria Bertel en drummer Ole Mofjell. Een vrij kort album, iets langer dan een half uur, met maar één stuk: 'Kalmar'. De plaat start direct vanuit de vierde versnelling. Högberg stoot rauwe kreten uit, Bertel komt daar net achter en beiden worden ondersteund door een wild kolkende stroom klanken van Svendsen en Bertel. Improvisatie in de betere Scandinavische traditie. Na iets meer dan zeven minuten valt het ineens stil en blijft Svendsen alleen over in een zeer rauwe ritmische solo. Dan piept Bertel ertussendoor, vreemde geluiden uit haar trombone persend. Langzaam sterft het geluid van de bas weg, om vervolgens weer op te komen en zich te mengen met de andere instrumenten. Een onbestemde passage vol wonderlijke klankkleuren en nuances. Bijvoorbeeld van Högberg met een verzameling opwindende piepjes. Dat zwelt langzaam weer aan en je voelt aan alles dat het gedaan is met de rust. Wat volgt is een weerbarstige passage, zwaar leunend op het beukende slagwerk van Mofjell en heftig gepluk van Svendsen. Högberg spreekt het lagere register aan van haar altsax en op de achtergrond horen we Bertel accenten plaatsen. Tegen het einde nogmaals Svendsen solo in een prachtige ritmische passage, waarna het kwartet nog een keer op stoom komt en Svendsen zijn akoestische bas verwisselt voor een elektrische.
In het trio Hungry Ghosts horen we Svendsen samen met Paal Nilssen-Love in de ritmesectie. Als derde vinden we de uit Maleisië afkomstige tenorsaxofonist Yong Yandsen, die daar een leidend figuur in de impro is. Overigens werd het album, dat ook slechts één nummer bevat, 'Hungry Ghosts', daar ook opgenomen. Gezien het voorgaande over Svendsen en de reputatie van Nilssen-Love weet u al ongeveer waar we ook dit album moeten plaatsen. En inderdaad gaat het er ook hier stevig aan toe. Rollende donder van de ritmesectie en Yandsen die er vrij doorheen meandert. Een uitstekende saxofonist, met een rijk palet aan technieken en klanken. Neem die passage rond de zestiende minuut, waarin Yandsen stemmige noten in het lage register afwisselt met rauwe klanken in het hoog, alsof hij een dialoog met zichzelf voert. En dit alles terwijl Svendsen en Nilssen-Love zich ingetogen op de achtergrond bewegen. Prachtig samenspel dat we overigens op meer plaatsen horen. En dan nog even naar Svendsen, het betreft hier immers een portret van hem. Hij overtuigt ook hier met een heel bijzondere bassolo. Opvallend ijle klanken producerend met zijn strijkstok.
En dan hebben we tot slot dat wonderlijke album van Katariin Raska en Svendsen, 'Finding Ourselves In All Things'. Ze zeggen wel eens 'je moet er van houden'; welnu, voor dit album geldt dat zonder meer. Het heeft alles te maken met het instrument dat Raska bespeelt en waar u wellicht, net als ik overigens, nog nooit van hebt gehoord: een torupill. Het blijk de Estse variant van de doedelzak te zijn. Met dat ding kun je een ongelofelijk kabaal maken en dat is precies wat Raska doet in 'Melting With Butterflies'. Of je een kat loslaat in een volière. Een lange vibrerende hoge drone, waar Svendsen aansluiting bij zoekt door met zijn strijkstok onnatuurlijk hoge klanken uit zijn bas te purren. In 'The Way Mountains Make Love' start Svendsen aan het andere uiterste van het klankspectrum, duistere klankwolken aan zijn bas ontlokkend. Raska's torupill blijkt met deze klanken overigens ook uit de weg te kunnen, want wie nu precies welke klanken creëert blijkt bijzonder lastig te ontdekken.
Foto: Peter Gannushkin Labels: cd, Christian Meaas Svendsen-special (Ben Taffijn, 12.4.20) - [print]
- [naar boven]
Lees verder in het archief...
|
|
|
|
Menupagina's:

Album van de maand Jamie Peet - 'REFLEX: Daily New Beginning' Klik hier voor meer informatie




Nieuws, tips, suggesties, adverteren, meewerken? Mail de redactie.
|
|