Draai om je oren
Jazz en meer - Weblog





 


Cd
Avishai Cohen - '1970' (Sony, 2017)


Dat er wat ironie in schuilt dat Avishai Cohen de jazz even de rug toekeert in het jaar van zijn honderdjarige bestaan, dat zal hij vast wel beseffen. Wie de man al een tijdje volgt, zal echter niet verbaasd zijn dat hij zich na talloze zijstappen ook eens op het pad van de pop begeeft. Ook dat doet hij op een manier die een breder publiek zal charmeren.

Dat over de muurtjes loeren, zit er natuurlijk al langer in. De uit graniet gehouwen bassist heeft er nooit om verlegen gezeten diverse stijlen op een hoopje te kwakken. Jazz, klassiek, pop, soul en folklore uit verschillende windrichtingen en in meerdere talen, het gulpt allemaal uit zijn creatieve koker in gulle porties. Wie de man al live aan het werk zag, heeft vermoedelijk ook aan den lijve ondervonden dat zijn gevoel voor spanningsopbouw, soms balancerend op de grens van effectbejag, niet moet onderdoen voor die van nog befaamdere publiekmenners. Maar met zijn krachtige statements weet dat hij daar ook wat vlees aan te hangen. De vraag was of hij ook stand zou kunnen houden binnen een conventionele popcontext.

Laat er geen twijfel over bestaan: 1970 is geen jazz met een poppy randje. Het is pop en speelt het spel volgens die regels, al zit er wel nog iets in dat doorgaans een 'jazzy sensibiliteit' genoemd wordt. Net zoals bij singer-songwriter Josh Rouse, die het hem voordeed met 1972, is een album noemen naar je geboortejaar ook een duidelijke suggestie over de koers. Meer dan eens herinnert Cohens album aan de pop, soul en funk die rond die tijd, maar eerder iets later, grote sier maakten. Opener 'Song Of Hope', dobberende soul opgesmukt met wat percussie en cello, heeft iets van de ingetogen soulfunk van de grote Donny Hathaway (nog altijd the smoothest tussen Marvin Gaye en Al Green), al zou je net zozeer kunnen verwijzen naar Terry Callier, Bill Withers of bluesy soulcrooner Robert Cray.

Warm, gloedvol en misschien ook verrassend sober. Met dat laatste is de song alleszins geen alleenstaand geval, want Cohen beschikt dan wel over een uitstekende band met veel mogelijkheden; hij behoudt de controle en voorkomt dat de songs uitmonden in bombast of egoptripperij. Hij heeft begrepen dat je best recht naar de kern gaat, met vetvrije muziek zonder overbodige poespas en duidelijke aangezette boodschappen. Voor sommigen zal het er misschien iets té dik op liggen, en zij zouden misschien ook liever de leegheid van 'Emptiness' voelen dan het helemaal uitgespeld te krijgen, maar je kan de man alleszins niet beschuldigen van al te complexe zwaarwichtigheid.

Er passeren dan ook een resem eigen songs die live ongetwijfeld goed zullen zijn voor een gevoelige temperatuurverhoging. Cohen neemt naast akoestische en elektrische bas en piano ook de zang voor zijn rekening, met een strot die zijn ietwat beperkte bereik compenseert met karakter en hier en daar herinnert aan Hathaway of Frank McComb, en in 'My Lady' ook heel even Los Lobos' David Hidalgo. Ook de combinatie met zangeres Karen Malka is in heel wat songs een meerwaarde. Zelfs als hij balladeterrein betreedt, zoals met 'It’s Been So Long' (degelijk) of 'Move On' (prima), blijft hij overeind, terwijl afsluiter 'Blinded' volledig op maat van de zomerradio is.

Om de breuk met zijn achtergrond niet té groot te maken, stak Cohen ook nog een paar traditionele stukken in zijn album. In 'Se’i Yona' mag ud-speler Elyasaf Bishari het voortouw nemen in een song die traditie en pop fijntjes in evenwicht houdt. Nog beter is 'D’ror Yikra', dat met z'n stemmentrance een effect creëert dat een verre verwant is van Tinariwens woestijnhypnose. 'Ha’ahava' doet dan weer een fiftyfifty: een moderne popsong die in het Hebreeuws gezongen wordt.

Nieuw spul, check. Oud spul, check. Nog een cruciale restgroep: covers. Cohen groeide naar eigen zeggen op met plaatjes van The Beatles, Led Zeppelin en The Police, dus mag het niet verrassen dat hij zich waagt aan een versie van The Beatles' 'For No One'. Dat doet hij alleen, met zang, bas en piano. Een beetje zoet, maar het is dan ook een van de meligere songs uit McCartney's pen, en dat wil iets zeggen. En als 'Motherless Child' al iets te veel neigt naar 'Ricky Martin meets de Santana van Supernatural'-terrein, dan is het wél een oorwurm, wat ook geldt voor de prima versie van 'Vamonos Pa’l Monte' van latin-pianokoning Eddie Palmieri, waarin cellist Yael Shapira een centrale rol krijgt.

Met een zak vol compacte songs met hier en daar een paar sterke uitschieters heeft Cohen bewezen dat hij dit format ook naar zijn hand weet te zetten. Wie een zwak heeft voor Cohen de bassist of de man die iets gewaagder cross-overspul uitbrengt, die is bij deze gewaarschuwd. Dit is niet die plaat. Wie daarentegen een zwak heeft voor warmbloedige pop op de wip tussen groovy soul en latin, met hier en daar wat traditionele opsmuk, die vindt hier wel zijn gading. Al zullen de live-uitvoeringen ongetwijfeld nog wat anders zijn.

Klik hier voor geluidsfragmenten van dit album.

Deze recensie verscheen ook op Enola.be

Labels:

(Guy Peters, 27.11.17) - - [naar boven]


Lees verder in het archief...






Menupagina's:

Redactieadres:

Hoekstraat 1 B17
3910 Neerpelt
België
(0032) 11747180
(0032) 498788554

Nieuws, tips, suggesties, adverteren, meewerken?
Mail de redactie.