Draai om je oren
Jazz en meer - Weblog





 




Cd
Oscar Peterson – 'Oscar Peterson And Friends' (Documents, 2014)

Opnamen: 1950-1959

In bepaalde jazzkringen was het in de jaren zestig bon ton om zich denigrerend over pianist Oscar Peterson uit te laten. Heleboel noten, maar weinig diepgang. Kunstje dat steeds herhaald werd en ging vervelen. Nee, dan Cecil Taylor! Daar kwam het zo'n beetje op neer.

Inmiddels kunnen we veilig vaststellen dat Peterson een van de echt grote pianisten van de jazz is geweest. Begiftigd, inderdaad, met een fenomenale techniek, maar o zo muzikaal (toucher en kleuring!) en daarbij een ideale begeleider, ook nog. Dat is vast te stellen aan de hand van deze 10-cd box, bevattende twaalf albums uit de jaren vijftig. Een prima dwarsdoorsnede van zijn oeuvre, als leider van zijn trio, als begeleider van eersteklas solisten en vocalisten – en als hoofdpersoon van een van de meest abominabele albums uit die tijd, 'Soft Sands'. Producer Norman Granz en orkestleider Buddy Bregman moeten met een jaloers scheel oog naar de succesvolle reeks kitschplaten van Jackie Gleason hebben gekeken: dat kunnen wij nog veel beter! Versterkt met een dubbelgemengd aaaah-koor is dit een bewijs dat wansmaak van alle tijden is. Wil je van een dreigende verkering af? Aanklikken zo gauw ze binnenkomt. Wil je, al dan niet onder laboratoriumomstandigheden, aantonen dat tijd maar een relatieve grootheid is? Fluks opzetten die hap en de studenten casu quo de onderzoekers laten schatten hoe lang de nummers duren. Gegarandeerd dat de bevindingen een factor vier à vijf keer zo lang uitvallen dan de exacte tijden, die tussen de twee en drie minuten liggen. Wegpleuren dus, dit wanstaltige cd-tje. Zou je zeggen, ja. Maar de tweede helft bevat de lp 'Ben Webster Meets Oscar Peterson', en dat is een héél ander verhaal. Weliswaar is ook hier sprake van introspectieve muziek, maar dan wél met kloten. We horen Webster als de balladeer par excellence.

Met solisten als Lester Young en Stan Getz en vocalisten Louis Armstrong en Ella Fitzgerald zijn dit soort solo-features goed vertegenwoordigd in deze box. Van klarinettist Buddy DeFranco zijn twee albums gekozen, 'Buddy DeFranco And The Oscar Peterson Quartet' en 'Buddy DeFranco And Oscar Peterson Play Gershwin', beide uit 1954. Alleen al deze documenten rechtvaardigen de toch al lage aanschafkosten van het tiental. Want DeFranco steekt in bloedvorm, zijn ideeënstroom lijkt nimmer op te drogen en hij weet dat ook allemaal rechtstreeks over te brengen op de luisteraar. De pianist heeft er eveneens plezier in. Zijn geraffineerde afwisseling van korte en lange frasen zet het geheel onder spanning.

Ook de twee eerste albums die Peterson voor Granz opnam zijn hier geselecteerd. Een half jaar eerder had hij zijn New Yorkse debuut gemaakt en op van wat er van dat optreden in Carnegie Hall bewaard is gebleven horen we een groot talent dat nog wat onevenwichtig (zenuwen?) klinkt. Hier, op de lp 'Tenderly', springt hij tot de tanden bewapend op het toneel. Meteen al in het allereerste stuk, toepasselijk 'Debut' getiteld (en gebaseerd op 'Perdido'), geeft hij zijn visitekaartje af. Zijn grote affiniteit met Art Tatum is evident, maar qua harmonieën neemt hij zijn hoed af voor Bud Powell. Wanneer hij op de tweede track 'They Didn’t Believe Me' wat gas terugneemt, vallen de feilloze plaatsing van de noten, zijn orkestrale inslag en zijn uitbundige swing op. Opvallend is dat bassist Ray Brown, die hem in Carnegie Hall reeds had begeleid, hier andermaal van de partij is met krachtig, gefocust werk.

Brown zou een kwart eeuw lang niet van zijn zijde wijken. Als hij niet beschikbaar is voor het tweede album 'Keyboard' valt Major Holley voor hem in. Alhoewel we weten dat Mule een voortreffelijke bassist is, legt hij het hier toch tegen Brown af. Niet alleen is zijn sound wat meer omfloerst en zijn timing meer laid-back, hij speelt ook slordiger. Brown stelt zich op als gelijkwaardige partner en zijn timing - pets bovenop de tel - geeft de muziek een enorme voorwaartse beweging. Duidelijk is ook dat de arrangementjes van tevoren minutieus zijn uitgewerkt en ingestudeerd. Zoals Peterson ook later zou blijven doen, toen een gitarist en/of drummer deel gingen uitmaken van het combo. Wanneer ze in 1952 Lester Young begeleiden, voelt dat als lopen door oud, van mos doorschoten gras.

Wat goed dat impresario Paul Acket zich nooit wat van het gemor van de jazzpolitie heeft aangetrokken en Oscar Peterson gewoon voor bijna al zijn North Sea Jazz Festivals noodde.

Labels:

(Eddy Determeyer, 8.11.14) - - [naar boven]


Lees verder in het archief...






Menupagina's:

Zoeken op Draai:


web deze website

Redactieadres:

Hoekstraat 1 B17
3910 Neerpelt
België
(0032) 11747180
(0032) 498788554

Nieuws, tips, suggesties, adverteren, meewerken?
Mail de redactie.