Draai om je oren
Jazz en meer - Weblog





 




James Carter in Nederland: Part 1
James Carter Quartet, zaterdag 25 oktober 2008, LantarenVenster, Rotterdam

Publiekslieveling James Carter is een veel- en graaggeziene gast. Carter bezit een fenomenale techniek en kenmerkend geluid in de school van de tough tenors en Ben Webster. In de loop der jaren heeft hij zijn arsenaal saxofoons uitgebreid met basklarinet en dwarsfluit, en hoewel hij op dit laatste instrument minder vloeiend is dan op de anderen, heeft dit brede palet zijn muziek verdiept.

Zijn eclectisme bleek zaterdag in Rotterdam uit elke noot; hij kent zijn boekje en de geschiedenis van de jazz, van Dixieland tot Coltrane en van R&B tot ballad. Deze kennis etaleert hij iets te gretig; soms leidt het tot overdreven spel, zoals op North Sea dit jaar bij vlagen het geval was.

Maar het moet gezegd: makkelijk maakt Carter het zichzelf nooit. Hij opende zijn concert met Sidney Bechets 'Chant In The Night', gespeeld op – hoe kan het ook anders – sopraansax. Door middel van circular breathing en eindeloze reeksen triolen deed de behandeling van het stuk denken aan Coltrane's sopraan (het andere ijkpunt voor dit instrument) en aan de hoge saxen van Roland Kirk. Deze vogelvlucht door de geschiedenis van een instrument is kenmerkend voor Carters aanpak.

Hiervan getuigde ook 'Bro. Dolhpy', een compositie van Carters laatste album, uitgevoerd op basklarinet. Dit instrument, door Eric Dolphy geïntroduceerd in de jazz, leent zich goed voor lage bromtonen en hoge piepen, en kan klinken als het gakken van een gans. Carter buitte deze – door Dolphy geïntroduceerde – cliche’s met verve uit in opzwepend machtsvertoon. Charmant was ook dat hij de Radetzkymars en delen van Bizets 'Carmen' in zijn solo verwerkte, zeker omdat dit in eerste instantie niet foutloos gebeurde. Het toonde aan dat zelfs techniekbeest Carter menselijk is.

Naast Carter maakte ook pianist Gerard Gibbs veelvuldig gebruik van citaten, zoals een wat onwaarschijnlijk 'Kortjakje' in de intro van 'Odyssey'. Dit stuk werd door Carter op fluit geopend. Zijn fluitspel is ietwat schel met een vibrato dat wat teveel golft. Dit verraadt hem als tenorist wiens kamerbrede stijl juist gebaat is bij zo'n vibrato. Toen er een tenorsolo volgde, was Carter dan ook meedogenloos en furieus. Hij klonk als Coltrane in de laatste jaren van diens carrière, maar ook als rockpionier Big Jay McNeely: veel toeten, scheuren, schreeuwen en brullen.

Deze flexibiliteit van de bandleider maakte een hoop goed, zoals de overbodigheid van een feature voor de pianist en Carters neiging te lange solo's te spelen die weinig ruimte overlaten voor de rest van de band. De toegift, een duet tussen Carter en bassist Ralphe Armstrong, liet zien dat de saxofonist wel degelijk tot interactie in staat is. Sterker nog; dan is hij op zijn best. Dat hij in kwintetbezetting werd aangekondigd, maar uiteindelijk in een kwartet zonder trompettist kwam, leek niet te deren. Carter was prima in staat de ruimte op te vullen, want wat er ook gebeurt, in zijn muzikale universum is Carter heer en meester.

(Sybren Renema, 3.11.08) - - [naar boven]


Lees verder in het archief...






Menupagina's:

Redactieadres:

Hoekstraat 1 B17
3910 Neerpelt
België
(0032) 11747180
(0032) 498788554

Nieuws, tips, suggesties, adverteren, meewerken?
Mail de redactie.